No Distance Left To Run :: de Blur-reunie als statement en eindpunt

U dacht dat Britpop een dringend te vergeten periode van matige en vooral enigszins potsierlijke Britse bandjes was? U dacht dat Blur daar met bubblegumsongs als "Country House" en "Girls & Boys" een van de meest over het paard getilde exponenten van is? U vreesde dan ook voor een Britpoprevival en cynische cash-in na Blurs reünie? Think again.

Uit de documentaire No Distance Left To Run blijkt dat Blur vooral weer is gaan touren om zijn artistieke erfenis veilig te stellen, en nu weer op pensioen is. Die erfenis was, samen met hun vriendschap, dankzij de Britpopwaanzin enigszins op de achtergrond en zelfs in het slop geraakt. De film is dan ook een waardig testament voor een band die eindelijk kan erkend worden voor wat ze meer is dan Britpop-posterboys: na Radiohead de meest ambitieuze en uitdagende band van een generatie.

Britpop is overigens, wat men er ook van moge zeggen, géén genre. Het is een verzamelnaam voor een aantal Britse bands die midden jaren ’90 de alternatieve muziek gingen domineren. Geholpen door de euforie van New Labour en als antwoord op de grunge die na Kurt Cobains dood nog meer in een hoekje zat te kniezen, kwam een stroom zichzelf niet al te serieus nemende muziek het Kanaal overgewaaid.

Het was Damon Albarn die samen met zijn toenmalig liefje Justine Frischmann een Brits muziekmanifest bijeen droomde. Al zou hij later verklaren weinig tegen Nirvana te hebben: dat het uitzichtloze en eenvormige nihilisme van de grunge ook in Groot-Brittannië succes had, was hem een doorn in het oog. Hij wilde een Brits antwoord op deze Amerikaanse culturele hegemonie. Een antwoord dat uptempo was en doorspekt van ironie en de typisch Britse mix van melancholie, arrogantie en gelatenheid, die een verlept wereldrijk zo net staat.

Dat antwoord van zijn groep Blur op de grunge heet Modern Life Is Rubbish: een al te onderschatte ode aan alles wat Brits is. Tot veler verbazing bleek Albarns idee van Britse pop heel wat luisteraars te vinden. Het redde Blurs carrière, die ondanks hun succesvolle debuut door (jazeker) een weinig koosjere manager een snoekduik dreigde te nemen. Het had erg weinig gescheeld of Blur had geen platencontract meer. Toch bleek het succes de Britpop al snel een vergiftigd geschenk.

Tegen dat Parklife en bijbehorende single "Girls & Boys" de bovenste regionen van de charts mochten bezetten, waren Damon Albarn, Graham Coxon, Alex James en Dave Rowntree de heersers van de Britpop. Met dit album werd de band echter ook een monster dat Albarn en de zijnen niet langer onder controle hadden. De experimenteerzin en het arty kantje die de groep uniek maakten, geraakten op de achtergrond, terwijl sappige tabloidverhalen de overhand namen en de muziekliefhebbers steeds verder de zaal in moesten gaan staan om plaats te maken voor krijsende bakvissen.

Damon Albarn vormde met Justine Frischmann (van Elastica) het koningskoppel van de Britpop. Het koppel worstelde echter met de roem, de alomtegenwoordige papparazi en heroïne. Ook Graham Coxon kon zich steeds minder vinden in het oppervlakkige popsterrenbestaan. Hij ergerde zich blauw aan de eerste rijen op hun concerten en vond troost in steeds grotere hoeveelheden wijn. Alex James genoot dan weer van zijn nieuwe jetsetbestaan en laafde zich samen met onder meer Damien Hirst in de legendarische Groucho Club met plezier aan een cocktail van cocaïne, drank en vrouwen.

Terwijl Blur na jaren hard werken met de release van hun derde album de belangrijkste band van Engeland was geworden, dook er plots een groepje working class lads uit Manchester op dat met enkel een debuut onder de arm Blurs kroon wilde. Oasis speelde bovendien graag zijn bescheiden achtergrond uit tegen de art school wankers van Blur. De Gallaghers waren daarenboven niet op hun mond gevallen en prikkelden Albarn’s ego bij elke sneer iets meer.

Wilde hij in 1995 de Brit Award voor beste album (voor Parklife) nog delen met Oasis (voor Definitely Maybe), twee jaar later verschoof Damon Albarn de release-datum van nieuwe single "Country House", om deze te laten samen vallen met die van Oasis’ nieuwe "Roll With It". The battle of the bands voor de Britse nummer 1-single was wereldnieuws en zou later symbool worden voor de langzaam leeglopende Britpop-luchtbel. Het werd zeker ook voor Blur een keerpunt. The Great Escape mag dan wel een bij vlagen geniaal album zijn, het is vooral het geluid van een band die de voeling met zijn roots verliest en een al te slimme brok ironie die in hun gezicht ontplofte.

Toen Blur nog Seymour heette, was het een arty punkbandje wiens concerten na nauwelijks een kwartier ontaardden in chaos en lawaai. In 1996 was Blur de groep van de succesvolle geinige popsingles geworden. De scherpe kantjes van Leisure ("Sing") en Modern Life Is Rubbish ("Oily Water", "Chemical World", "Advert"), waren door een al te chartgevoelige singlekeuze en een ondoordringbaar woud van ironie, zelfrelativering zo goed als verdwenen. Blur leek in haar onstuitbare ambitie vergeten welke muziek ze eigenlijk zelf wilden maken.

De band kon voor niemand nog goed doen: voor de serieuze muziekliefhebber lieten ze zich te veel gaan in leuke, ongevaarlijke popmuziek. Het grote Britse publiek zag hen echter meer en meer als pretentieuze kunststudentjes die al te graag ironisch neerkeken op ’de gewone man’. Wat een verschil met het stoere, complexloze working class imago van Oasis. Blur was het slachtoffer geworden van zijn eigen succes en de tomeloze ambitie van zijn frontman.

Het was Graham Coxon die het tij wist te keren. De gitarist hield zich ver van de jetset/Oasis/papparazi-mallemolen en had zich in het geluid van Amerikaanse gitaarbands als Pavement en Hüsker Dü verdiept. En daar zag hij de oplossing. Hij schreef Damon Albarn in een brief dat hij de mensen weer bang wilde maken met Blur, zoals in hun begindagen. Albarn was er zelf ook achter dat ze door zijn honger naar succes misschien een compromis of vijf te veel gesloten hadden, en had dus wel oren naar Coxon’s ideeën.

Blur kwam gelouterd uit de studio met een titelloos album dat zowat de antipode van de Britpop was: vuil, scherp en donker. Het had commerciële zelfmoord kunnen zijn, maar Blur bevat met "Song 2" en "Beetlebum" twee van hun meest succesvolle songs en zorgde voor de broodnodige artistieke nieuwe adem. Voor een tweede keer wist Blur de tijdsgeest net voor te zijn: enkele maanden later kreeg de Britpop met de release van Oasis’ Be Here Now haar staatsbegrafenis en werd Radiohead dankzij OK Computer het nieuwe Britse kroonjuweel.

Weg van de Britpop-mallemolen, kon Blur eindelijk weer ongestoord experimenteren. Nu is echter pas duidelijk dat de songs op Blur en 13 vooral ook getuigen van de averij die de groepsleden en hun vriendschappen hadden opgelopen. "Beetlebum" is Albarns kreet van wanhoop vanuit de steeds dysfunctionelere relatie met Frischmann. In "You’re So Great" worstelt Coxon met de leegheid van de roem en "Death of a Party" is een weinig subtiele afrekening met de Britpop.

13 gaat nog verder en bevat ongetwijfeld Albarns meest persoonlijke songs over zijn stukgelopen relatie. Blur klinkt hier compromislozer dan ooit: het contrast met de zonnige Britpopdagen kon niet groter zijn. En toch is 13 waarschijnlijk het ultieme bewijs dat Blur altijd zoveel meer geweest is dan een succesvol popbandje. Bluralbums hebben altijd rauwere, experimentele momenten gekend, maar nu de groep niet langer haar best deed om succesvolle singles te schrijven, kwamen de innovatieve pareltjes pas echt bovendrijven. Het is bij herbeluistering vreemd dat Parklife en zelfs The Great Escape als simpele popplaten werden afgedaan, want buiten de singles, maakte Blur altijd al behoorlijk rijk geschakeerde muziek en was de groep zeker nooit vies van experiment.

Maar deze erfenis was tot voor kort bezoedeld door de pijnlijke wijze waarop de band van het toneel verdween. Hun laatste album Think Tank werd zonder Coxon opgenomen, omdat de jeugdvriendschap tussen hem en Albarn totaal verziekt was. Coxon had niets dan misprijzen voor Albarns ambitie en schijnbaar onstilbare honger naar succes. Albarn zijn geduld werd dan weer onhoudbaar op de proef gesteld door Coxons hevig woekerende drankverslaving en wisselvalligheid. Het is nog steeds niet duidelijk of de gitarist zelf opstapte (onder lichte dwang) of uit de groep gezet werd, maar de ster van Blur doofde uit als trio, met een album dat in de pers als een nauwelijks verholen solo-album van Albarn werd beschouwd.

Zowel Coxon als Albarn kregen sindsdien regelmatig de vraag of er een reünie inzat, maar het water tussen beide heren leek lange tijd veel te diep. In No Distance Left To Run vertelt Coxon hoe hij tijdens een bezoek aan London Zoo voortdurend wegdook voor de toevallig ook aanwezige Albarn. Maar toen ze maanden later dan toch aan de praat geraakten, bleken de problemen van toen als snel vervlogen en besloten ze de band weer samen te roepen om orde op zaken te stellen.

"I just wanted my friends back" fluistert James halfweg de documentaire. Albarn wilde vooral een statement maken: bewijzen dat Blur er terug kon staan, met opgeheven hoofd. "Let’s get the band back together, one more time!" Dat de twee concerten in Hyde Park uitgroeiden tot een heuse triomftocht met als hoogtepunt een headline-slot op Glastonbury, bewijzen Albarns gelijk. Nu de groep bewezen heeft meer te zijn dan een bende art school wankers met te veel succes en te weinig ballen, lijkt er nauwelijks nog reden te zijn om een nieuw album te maken of verder te touren. De korte reünie is een onverwacht carrièrehoogtepunt geworden en het is logisch dat de groep dit niet wil verknoeien door tot vervelens toe te touren of met een minderwaardig album op de proppen te komen. Door dat ook vrij expliciet in No Distance Left To Run (een mooie epiloog) te stellen, lijkt de band het zichzelf ook onmogelijk te willen maken om hun erfenis alsnog te verkwanselen. Alleen dat verdient al respect, zolang ze niet alsnog om verkeerde redenen van gedachte veranderen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × een =