The Engines :: Wire And Brass

Wie er een idee van wil krijgen waar de experimentele jazz in Amerika naartoe gaat, die kan best uitwijken naar New York of Chicago. Vooral die laatste is de voorbije jaren een broeihaard van jong talent geworden. The Engines is het project van vier muzikanten die zich in het creatieve centrum van de scène bevinden en laten horen dat het nog steeds mogelijk is om binnen een welbekende traditie een eigen stem te hebben.

De band werd enkele jaren geleden opgericht door saxofonist Dave Rempis, trombonist Jeb Bishop, drummer Tim Daisy en bassist Nate McBride. Rempis en Daisy zijn vooral bekend van The Vandermark 5, een kwintet waar Bishop tot enkele jaren geleden ook deel van uitmaakte, maar speelden ook samen in een hele resem andere projecten. De invloed van Vandermark, een muzikant/componist/organisator die een cruciale rol speelde in de vernieuwde opstoot van creativiteit in de stad, gaat nog verder, want ook McBride speelde al vaak met de beruchte gangmaker, o.m. in FME en vorig jaar nog in het Frame Quartet.

Was de generatie van Vandermark tien tot vijftien jaar geleden centraal en steeds belangrijker als platform voor nieuwe talenten, dan begint de volgende generatie nu de lakens stilaan naar zich toe te trekken. Naast Rempis duiken ook steeds vaker de namen op van andere jongelingen, zoals drummers Mike Reed, Frank Rosaly en Chad Taylor, pianist Greg Burk, bassist Jason Roebke en vibrafonist Jason Adasiewicz. Veel van die muzikanten hebben onderdak gevonden bij het label 482 Music, dat zich steeds sterker profileert als hét label voor aanstormend talent uit de regio, en Okka Disk stilaan het vuur aan de schenen begint te leggen als meest gelauwerde Chicago-label.

De dominantie van Vandermark heeft ook creatief z’n sporen nagelaten. Zijn immens gedreven aanpak waarbij Amerikaanse en Europese invloeden elkaar vinden uit zich steevast in uitdagende muziek waarbij zowel compositie als improvisatie kerningrediënten zijn. The Engines doet onvermijdelijk aan enkele van Vandermarks projecten denken, al geldt er hier een meer democratische aanpak. Die uit zich niet enkel door het delen van het songschrijven, maar ook door het ontbreken van een leidersfiguur en een nog iets grotere nadruk op het improvisatie-aspect. Wire And Brass bevat nummers die dan wel vertrekken vanuit referentiepunten; het zoeken staat steeds centraal.

Elke song mag gelden als een mooi voorbeeld van die aanpak: het door McBride geleverde "Trouble Distribution" laat meteen horen hoe subtiel en ’open’ het er aan toe gaat. Drum en bas tasten ingetogen af, Rempis introduceert een thema en Bishop soleert er meteen over op z’n trombone, waarna Rempis z’n altsax mag laten zingen. Eerst krijg je een aanzet, dan een hint van structuur en vervolgens wordt die opnieuw ontrafeld door een contrast van vingervlugge solo’s en steeds nerveuzer drumwerk, dat abrupt een andere wending kan geven aan het geheel. Op en top live muziek.

De andere bijdrage van McBride is (nog) minder transparant: eerst krijg je enkele minuten trombone- en saxgekwetter, een spel van geluiden en contrasten, waarna een vaag bluesy swing op gang komt die snel verlaten wordt voor enkele solomomenten. Die onvoorspelbaarheid komt ook mooi aan bod in Daisy’s "Red Cage", waarin ruige solosecties worden afgewisseld met in zichzelf terugplooiende momenten. Dergelijke songs laten, net als Rempis’ "Four Feet Of Slush", een stel muzikanten horen die resoluut kiezen voor een groepsdynamiek en spel van interacties, zonder het avontuur uit het oog te verliezen.

Afgesloten wordt met Rempis’ tweede compositie "Free Range", dat meteen ook het hoogtepunt van de set is. Het voelt ook toegankelijker aan, door de onmiddellijke introductie van het thema en enkele opwindende stukken met gierende sax, scheurende trombone en een steeds intenser wordende, gemanipuleerde bassound. In dit stuk is de spanning voelbaar, de interactie driftiger en de finale er eentje om in te lijsten. Mooi om te horen hoe doelgericht gewerkt wordt naar een einde dat aansluiting vindt met het begin en de cirkel rond maakt.

Wire And Brass moet het niet hebben van gewaagde statements en is niet bepaald extreem, al is het door de afwezigheid van duidelijke structuren en de nadruk op abstractere passages wel een taaiere plaat dan zijn titelloze voorganger geworden. Het album vraagt aandacht en vergt concentratie, maar wie daar moeite voor wil doen, wordt wel beloond met een boeiende luisterervaring.

The Engines speelt op zondag 28 maart, samen met Digital Primitives, in KC België (Hasselt). Meer info op www.kunstencentrumbelgie.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 1 =