Johnny Cash :: American VI :: Ain’t No Grave

“Het is écht, écht de laatste, ik zweer het!”, wist Rick Rubin nog net uit te brengen toen we hem na het verschijnen van American V (2006) in een hoekje drongen. De leugenaar. Drieëneenhalf jaar later verschijnt nu toch het zesde en (opnieuw) laatste deel van de reeks die er in 1994 voor zorgde dat de carrière van Cash terug op de rails kwam. Goed nieuws: net als zijn voorgangers is dit er eentje om in te lijsten.

Toen June Carter Cash overleed in mei 2003 leek het alsof we het einde van The Man In Black ook voelden aankomen. Er was al jaren sprake van medische problemen, maar er was ook die versie van “Spiritual” op American II, met z’n “Jesus, I don’t wanna die alone”, een zinsnede die met zo’n vastberadenheid gezongen werd dat het vanzelfsprekend leek dat Cash z’n grote liefde spoedig zou vervoegen. Het overlijden kwam desondanks hard aan bij de horden fans. Als geen ander wist Cash immers universele muziek te maken, songs van alle tijden die elke aandachtige luisteraar kon inpassen in een persoonlijk verhaal.

American V, opgenomen in het laatste jaar van z’n leven, was een triomf, een majestueus orgelpunt dat de back to basicsgedachte tot z’n essentie herleidde en zorgde voor het sterkste deel sinds het eerste. In de songs ging Cash voor het laatst de confrontatie aan met zijn sterfelijkheid, geloofsovertuiging en levenskracht, waardoor het een monumentaal testament werd dat de man op virtuoze wijze uitgeleide deed. Een mooier einde was haast ondenkbaar. En toch is er nu Ain’t No Grave, dat net als z’n voorganger put uit die laatste opnames uit 2002 en 2003, toen Cash, geplaagd door ziekte en verdriet z’n laatste songs opnam.

Als geheel kan het niet op tegen z’n voorganger, het is niet zo dat de beste pareltjes allemaal onaangeroerd bleven. Anderzijds blijkt nu echter dat de kortademige zanger in z’n laatste dagen een indrukwekkende koppigheid en werklust aan de dag wist te leggen. Er werd geen tijd verspild aan joligheden: hij was zich er terdege van bewust dat elke opname en iedere song de laatste kon zijn, en de sfeer die van deze plaat druipt is dan ook navenant: hier is iemand aan het werk die weet dat het einde nabij is en die er alles aan doet om met een minimum aan middelen zo veel mogelijk te vertellen. Ain’t No Grave is wat dat betreft al even doordrongen van berusting én daadkracht als z’n voorganger.

Net als op de vorige delen wordt de spil van de begeleidingsband gevormd door Heartbreakers Mike Campbell en Benmont Tench, hier en daar bijgestaan door gitaristen Smokey Hormel, Matt Sweeney en Jonny Polonsky. Er werd resoluut gekozen voor uitgebeende arrangementen en subtiele inkleuringen: de songs én de stem staan centraal. Of toch wat er van die stem overblijft. Hier en daar zijn er paar nummers (“A Satisfied Mind” en het klassieke “I Don’t Hurt Anymore”) die verrassend vitaal klinken. Op deze songs treedt de warme bariton nog eens mooi naar voor. In een aantal andere songs is de vermoeidheid en aftakeling echter pijnlijk merkbaar.

Het drieluik dat het album opent, songs over de dood, verlossing en verlies, sluit naadloos aan bij de inhoud en de kwaliteit van A Hundred Highways. Met z’n begrafenispas sluit “Ain’t No Grave” aan bij “God’s Gonna Cut You Down”, nog zo’n confrontatie met de grote Vader waarbij je haast religieus zou worden. Nog beter is echter het van Sheryl Crow geleende “Redemption Day” (“Oh what mercy sadness brings / If God be willing”), een met bijbels gewicht volgestouwde reflectie die de amechtige man op z’n gezaghebbendst laat horen. Het is doordrongen van een intensiteit die het origineel volledig van tafel veegt. Het is een song die geschreven werd met een man als Cash in het achterhoofd, dat kan moeilijk anders.

“For The Good Times” van Kris Kristofferson (wiens “Why Me Lord?” al op het eerste deel belandde) biedt een terugkijk op het leven dat aanvoelt als het broertje van het eerder opgenomen “Love’s Been Good To Me”. Niet het volledige album weet dat niveau te handhaven: het aan “Blowin’ In The Wind” verwante “Can’t Help But Wonder Where I’m Bound” (van Tom Paxton) en Bob Nolans “Cool Water” (een song uit de jaren dertig die eerder al opgenomen werd door legendes als Hank Williams en Joni Mitchell) zijn mooie bijdrages, maar minder essentieel. Dat het niet allemaal te zwaarmoedig moet zijn, wordt hier trouwens ook mooi aangetoond met songs die met twee benen in de old school country staan.

Ook het albumeinde probeert af te wijken van de persoonlijke pijnen en lasten: “Last Night I had The Strangest Dream” is een mooie versie van Ed McCurdy’s antioorlogsklassieker, terwijl “Aloha Oe”, terugkeert naar de Hawaiiaanse cultuur van de negentiende eeuw. Het is een verrassend lichtvoetige toevoeging, gebracht met een aandoenlijke tederheid, alsof Cash, die steeds meer geportretteerd werd als een doempriester, afscheid wilde nemen met een glimlach en een kleinood dat niet al te zwaar op de harten weegt. Het is hier een onverwachte, maar prachtige finale.

Na A Hundred Highways hadden we er eigenlijk genoeg van. Alles leek gezegd, verdere releases zouden die nalatenschap enkel maar kunnen bezoedelen. We moeten die woorden nu terugtrekken. Ain’t No Grave is geen finaal meesterwerk dat nieuwe inzichten schenkt, al slaagt het er wel bijna in om te herhalen wat de meester deed met het eerste en vijfde deel van de reeks: songs spelen die afzonderlijk uitblinken in puurheid, oprechtheid en (steeds meer) breekbaarheid, maar collectief zorgen voor onwrikbare albums, blokken graniet die de tand des tijds moeiteloos zullen doorstaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 3 =