Mostly Other People Do The Killing :: 18 februari 2010, Vooruit

“Frivole charlatanjazz” noemde een van onze compagnons het achteraf. Hij bedoelde dat niet als een compliment. Om maar te zeggen dat niet iedereen het begrepen heeft op de relativerende fratsen en ironische benadering van het kwartet. Er viel nochtans heel wat fraais te horen voor zij die dit naast zich neer konden leggen (of het net als een bonus beschouwden).

Het klopt ergens wel dat je bij MOPDTK niet moet zijn voor doorleefde, spirituele jazz van de Coltrane-school: daarvoor dragen deze vier belhamels net iets te graag een narrenpak, hebben ze net te weinig geduld en krijgen ze het, vermoeden we, gewoonweg op hun heupen van songs die het boeltje niet op stelten zetten. Puberaal vermaak misschien, maar soms wel van zo’n hoog niveau dat die geinigheid en opgestoken vinger ronduit aanstekelijk was. De band had er een vermoeiende, ellendige dag opzitten (het had iets te maken met vervelende Duitse treinconducteurs en verplaatsingen van 12 uur). Dat leek aanvankelijk de show te gijzelen. Niets was minder waar.

Opener “Pen Argyl”, tevens het startschot van het pas verschenen Forty Fort, schoot meteen uit z’n krammen als een schuimbekkende buldog, waarbij het basloopje van Moppa Elliott meteen van het podium geveegd werd door de manische roffels van Kevis Shea, die z’n reputatie van ‘Animal van de jazz’ alle eer aandeed. De erop volgende twee uur zou overigens niet veel aan z’n houding wijzigen: de man is een furieuze rammelaar, een chaoot die, zoals Han Bennink, weigert om langer dan twee maten hetzelfde ritme aan te houden, geregeld uitpakt met jazzvreemde rockritmes of rotzooit met z’n elektronisch speelgoed (dat doorgaans weinig toe te voegen heeft aan het geheel).

Verder was het ook uitkijken naar de performance van trompettist Peter Evans, wiens naam in de wandelgangen van de experimentele muziek steeds vaker in verband gebracht met termen als “toekomst” en “jazz”. De man moet bogen op een haast onbestaand charisma (op het podium alleszins) en stond erbij als een expressieloos ijskonijn, maar wat hij liet horen was bij momenten genoeg om de onderkaak naar beneden te laten vallen. In andere contexten zit hij vaak in de zone van abstracte spielereien en non-muzikale geluiden. Hier was het een geschetter en gefleem, gepruttel en geraas, alsof Louis Armstrong, Fats Navarro, Woody Shaw en Dave Douglas een bastaardzoon gekregen hadden. Ondanks het drumgeweld van Shea en de democratische filosofie van de band ging Evans elke keer opnieuw lopen met de aandacht: de man is een monstertalent.

Tenorsaxofonist Jon Irabagon was de opvallende ‘afwezige’: we hebben er geen idee van of het te maken heeft met vermoeidheid of een ingetogen karakter, maar de man liet amper meer dan een minzame glimlach zien en speelde duidelijk tweede viool voor Evans. Hier en daar liet hij mooie staaltjes van wendbare, uit decennia jazzgeschiedenis geputte solo’s horen, al bleef hij eerder op de achtergrond in die frontlinie. Bassist Elliott maakte der dan weer het beste van met gortdroge grooves en nu een dan enkele verdomd swingende passages. Hij is duidelijk het anker en de motor achter de groep.

Basisthema’s werden doorgaans intact gehouden, maar songs volgden vaak een heel ander parcours dan de albumversies, waarbij muzikanten ruim de tijd namen om aan het improviseren te slaan, overgangen uit te stellen en songs aan elkaar te knopen. Zo werd vroeg in de set al meteen uitgepakt met een eclectische medley van “St. Mary’s Proctor”, “Biggertown” (uit hun vorige, This Is Our Moosic) en “Rough and Ready”. Met hun stijl, die soms vertrekt vanuit ouderwetse swing, vervolgens Blue Note hardbop aandoet, passeert via Ornette Colemans free jazz en het circusgebral van het ICP Orchestra zaten ze al snel met een ultra-eclectische aanpak, nog eens extra in de verf gezet door de soms wat lullige spelletjes van Kevin Shea (zoals de jingle bells tijdens “Blue Ball”).

De tweede set ving aan zoals de eerst: “Little Hope” had een vette groove en uitzinnig drumwerk, legde vervolgens een bluesy heupengedraai neer en volgde een vrij strakke structuur. Dat gold ook voor het old school festijn dat “Two Boot Jacks” is. Voor de ene wat onnozele hoempapa, voor ons dan weer een staaltje naar Dixieland neigende jazz met een hoog Satchmo-gehalte. Het soort dijenkletserij dat je ook in een set van Flat Earth Society tegen kan komen. Het spel bleef energiek en geïnspireerd, al hadden we wel het gevoel dat de set iets korter had mogen zijn om maximum impact te behouden. Gelukkig was de abrupt afgeronde afsluiter “My Delightful Muse” een van de vele hoogtepunten.

Conclusie: MOPDTK deed wat we verwachtten: charmeren en de boel (een beetje) op stelten zetten. Niet iedereen in de band leek er op elk moment even veel zin in te hebben, iets dat gelukkig gecompenseerd werd door de freewheelende, breed grijnzende aanpak die achter de muziek schuilt. Duidelijk geen spek voor ieders bek, al zijn er dingen gebeurd waar geen mens omheen kan, zoals de indrukwekkende dominantie van Peter Evans.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + 1 =