Wooley/Lytton/Grubbs :: Seven Storey Mountain

In 2003 vond in New York de eerste editie plaats van het Festival Of New Trumpet Music. Dat jaarlijks weerkerend evenement, opgestart door Dave Douglas en Roy Campbell Jr., stelt de trompet centraal. In eerste instantie wordt daarbij gedacht aan jazz, maar er viel tijdens de voorbije edities veel meer dan dat te horen: wereldmuziek, rock, hiphop, klassiek en, zoals Seven Storey Mountain bewijst, muziek die eenvoudige classificatie resoluut afwijst.

Seven Storey Mountain werd in z’n geheel gecomponeerd door blikvanger van de jonge garde Nate Wooley en uitgevoerd op het festival in 2007. Deze man, een van de meest in het oog springende trompettisten van zijn generatie, samen met o.m. ook Taylor Ho Bynum en Peter Evans (Mostly Other People Do The Killing), lijkt een van de aangewezen figuren om de fakkel over te nemen van figuren als Douglas, Campbell en Axel Dörner. Net als zijn generatiegenoten laat Wooley bovendien horen dat hij zich thuis voelt in de meest uiteenlopende contexten, of het nu gebeurt met nieuw jazzgeweld (Transit of zijn eigen kwartet) of in het gezelschap van veteranen als Braxton en John Zorn, met wie hij al het podium deelde.

Ook op dit album kan je spreken van drie muzikanten én drie verschillende generaties. Drummer Paul Lytton is niet minder dan een levende legende en een van de meest toonaangevende muzikanten van de vrije improvisatie, avant-garde en de free jazz. Ruim vier decennia staat hij reeds aan de zijde van Evan Parker, is hij actief bij Globe Unity Orchestra en een vaste waarde in talloze andere samenwerkingsverbanden. Gitarist/pianist David Grubbs maakte twintig jaar geleden bescheiden furore met rockband Squirrel Bait en daarna Gastr del Sol, om vervolgens de avant-oorden op te zoeken. Hij werkte onder meer samen met The Red Krayola, The Boredoms en Pauline Oliveros én richtte een eigen label op.

Een eclectische cocktail dus en dat is exact wat Seven Storey Mountain biedt: iets waarvan je niet weet wat je ermee moet aanvangen. Het stuk is volgens Wooley een poging om de "extatische beleving" uit het gelijknamige autobiografische boek van Thomas Merton om te zetten in muziek. In zijn boek beschreef Merton het verhaal van zijn bekering onverbloemd in een stijl die haaks stond op zijn roeping. Het boek werd door de conservatieve fractie van de kerk verketterd omdat het onomwonden de excessen van zijn jonge leven (’seks, drugs & rock-’n-roll’ komt in de buurt) aankaartte. De extatische piek is ook het sleutelmoment van deze veertig minuten, al zijn de heen- en terugweg al even belangrijke onderdelen van het geheel.

Het duurt alleszins lang voor er meer dan wat aanzwellend gezoem te ontwaren valt. Pas na een minuut of zeven verschijnt Grubbs’ harmonium slinks ten tonele en wordt de tocht naar de top van de berg echt duidelijk. Met monnikengeduld wordt vervolgens meer animo in de muziek gestopt. Pas na een minuut of tien zijn de drie muzikanten te horen en te onderscheiden, al gaan Lytton en Wooley nooit traditioneel te werk: de drummer creëert rumoer op z’n drumstel, mar het heeft bij eerste beluistering iets van willekeurig gerommel met onderdelen. Wooley slaagt er dan weer in om tijdens het hele stuk geen enkele ’zuivere’ noot te spelen. In plaats daarvan gebruikt hij verschillende technieken om geluiden te produceren die nu eens iets machinaals hebben (zoemend, brommend), dan weer iets onbestemds (gereutel, gepruttel, gepuf). Artificiële effecten komen daarbij trouwens niet te pas, er wordt hier en daar enkel gebruikt gemaakt van vooraf opgenomen field recordings.

Een soort drone dus, die na een kwartiertje een ongemakkelijke spanning krijgt, zeker naarmate Wooleys spel steeds nadrukkelijker het voorplan kiest. Net als de muziek, die blijft aanzwellen tot het als een etterend vocht begint te druipen en de omringende zones infecteert met kletterend, rammelend en stotterend geraas. Het is pure avant-garde: Grubbs speelt trage akkoordenwisselingen, Wooley en Lytton werken aan een geluidensoep die gaandeweg bijna iets ziekelijks en destructiefs krijgt, donker en pervers. Na een klein half uur wordt de ’top’ van de berg bereikt, geeft de muziek toe aan een onbestemde geluidenvloed en vanaf daar gaat het opnieuw bergafwaarts, tot na een kleine veertig minuten een stille gelukzaligheid bereikt wordt.

Luisteren naar Seven Storey Mountain is geen voor de hand liggende ervaring. Ondanks z’n onconventionele aanpak die voorbij gaat aan concepten als melodie en ritme is dit immers iets dat de volle aandacht opeist en voor z’n volledige duur opperste concentratie én een open geest vergt. Idealiter zie je dit soort performances live, omdat je dan pas kan inschatten hoe het zit met de interactie en met eigen ogen kan zien hoe dergelijke muziek gemaakt wordt en wat ze bij muzikant en publiek teweeg kan brengen. Als alternatief zullen een donkere kamer en een koptelefoon volstaan, al blijft de vraag of er velen bereid zijn om die ervaring meer dan een keer of twee te ondergaan. Seven Storey Mountain is zo’n plaat die de liefhebber van speciallekes graag in z’n kast zal staan hebben, maar die niemand vaak zal opzetten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =