Queen Adreena :: Djin

Imperial, 2009

Voor de schare riot grrl-aanhangers was het bang afwachten
toen het na ‘The Butcher and the Butterfly’ opvallend stil werd
rond Queen Adreena, en zowel Crispin Gray als Katie Jane Garside
zich op zijprojecten stortten. Twee jaar geleden vonden we nog
troost in de compilatie onuitgegeven materiaal ‘Ride a Cock Horse‘,
maar nu pas bereikt splinternieuw materiaal nog eens onder oren.
What’s the fuss about?” hoor ik u al denken? Wel, sta mij
toe u nogmaals te introduceren aan Engelands best bewaarde geheim,
opgeschoten uit het puin van cultband Daisy Chainsaw en gewapend
met een indrukwekkende frontvrouw die Courtney Love ooit als de
eerste echte riot grrl aanprees. Het is nooit te laat om
te leren en met cursusmateriaal als dit, kan dat alleen maar een
aangename ervaring worden.

‘Djin’ schiet naar goede gewoonte stevig uit de startblokken. Het
smerige ‘Year (of You)’ behoudt de krassende productie van ‘Ride a
Cock Horse’, maar met een professionelere mastering. Een
pruilende Garside siddert doorheen een song die even goed uit de
pen van Josh Homme had kunnen vloeien, met als resultaat een geile
rit op een highway to hell. Queen Adreena’s vierde album
compileert de verschillende invloeden van de voorgaande platen,
maar gooit er steevast enkele nieuwe ingrediënten bij in de
mix.

Deze terugblik reikt soms zelfs tot aan de Daisy Chainsaw-jaren
(een snuif eighties punkrock in ‘Killer (Tits)’). Toch
wordt het duidelijkst voortgeborduurd op de stonersound van ‘The
Butcher and the Butterfly’. ‘Lick’ en ‘Ruby’ nemen deze als
vertrekpunt, om te eindigen in meedogenlozer kolkende melodieën. De
riff van ‘Angels’ valt aanvankelijk te vergelijken met ‘Medicine
Jar’, om van daaruit naar een glamrockrefrein op te bouwen.

‘Crows’ grijpt terug naar de vocale SM van ‘Drink Me’, de
bikkelharde tweede plaat, en waagt zich in het interludium aan een
sterk staaltje torture porn. Lang geleden dat we met
dergelijke grijns op het gezicht de boxen in het rood joegen. Deze
intertekstualiteit is niet altijd even duidelijk. ‘Pretty Fish
(Turn Pink)’ introduceert een nieuw, poppy geluid, maar
koppelt met een “splish splish” voor de fans even terug
naar debuutsingle ‘Cold fish’.

U leest het al: de liefhebbers van het hardere werk zullen blij
zijn dat Katie Jane zich na ‘Lalleshwari’ en ‘Ruby Throat’ opnieuw
op ruiger materiaal focust, hoewel er daarbinnen ook plaats is om
die andere kant te belichten. In tegenstelling tot de soms
engelachtige gezangen van de zijprojecten, blijft hier echter een
venijnig kantje op de loer liggen. Het bluesy ‘Night
Curse’ zou bijvoorbeeld niet misstaan op de ‘From Dusk ’till
Dawn’-soundtrack. Garside mag immers soms als een onschuldig
zieltje klinken, een katje om zonder handschoenen aan te pakken is
ze allerminst.

Op ‘You (Don’t Love Me)’ speelt ze de acht minuten lang een
sensuele lolita die je tot op het puntje van je stoel drijft,
zonder over de schreef te gaan. Op ware verslossing is het wachten
tot in de staart, waar de prachtig minimalistische gitaarballade
‘Heaven (No More)’ klaarstaat om sereen afscheid te nemen. Dit werk
getuigt van het respect dat de band voor een song betoont. Als het
hard gaat breekt de hel los, maar het zachtere werk mag in
uitgebeende essentie voor zich spreken: een lichte achtergrondbuzz
en enkele achtergrondkreetjes van Crispin. Meer tierlantijntjes
zouden de puurheid van het nummer alleen maar in de weg
staan.

Plaat na plaat blijft Queen Adreena de formule perfectioneren: de
eclectische parallelle carrières van de bandleden voegen steeds
nieuwe smaken toe die het kenmerkende geluid verrijken in plaats
van het te willen overmeesteren. Op ‘Djin’ zit track na track
respect voor de compositie en een perfecte balans tussen ingegespt
venijn en briesende furie.

www.queenadreena.net
www.myspace.com/queenadreena

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − zeventien =