Tyondai Braxton :: Central Market

Wanneer een band uit leden bestaat die elk in het verleden zichzelf al bewezen hebben, is het moeilijk om de groep als een som te zien die meer is dan de delen. Het geheel wordt ontleed en de aparte delen toegewezen aan de respectievelijke leden. Ook omgekeerd vindt dezelfde rekensom plaats, soloalbums worden in het licht van het groepsgeluid gezien.

Dat de naam Battles meerdere keren zal vallen in recensies van Tyondai Braxtons laatste album mag niet verwonderen. Waar Braxtons naam bij de eerste release van Battles nog geregeld aangehaald werd als een van de referentiepunten, zal nu eerder het omgekeerde gebeuren. Zozeer heeft de band zichzelf in de kijker weten te werken. Onterecht of gratuit is die verwijzing allerminst, want Braxton heeft wel degelijk elementen uit zijn band meegenomen naar Central Market.

Het ligt voor de hand om in "Opening Bell" de blauwdruk voor een Battles-nummer te horen, zij het dan eentje dat van verschillende lagen gestript is. Wat overblijft zijn de vele geluidjes en muzikale sprongetjes, alsook de speelsheid die typerend was voor het tweede Battles-album Mirrored. Het vergt weinig verbeelding om de song als een knipogende hommage aan een olijk jachttafereel met blunderende, onhandige jagers binnen een Disney-film te zien.

"Uffe’s Woodshop" pikt het speelse element weliswaar op maar klinkt ook minder frivool. De gitaarpartijen klinken scherper en de strijd met de strijkers grimmiger. Het gevolg is een clash van vrolijke geluidjes en dreigende klanken die middels de melodie nu eens opgewekt en dan weer als voorbode van een naderend onheil klinken. De luisteraar mag zelf het pad kiezen naargelang zijn gemoedstoestand. Met "The Duck And The Butcher" wordt ondanks enkele gelijkaardige geluidjes die schizofrene spreidstand verlaten.

De titel indachtig is het niet moeilijk om de waggelende pas van een eend in de muziek te horen terwijl de slager zich veel meer op de achtergrond houdt en nauwelijks te duiden valt. Toch is het pas in het meer dan tien minuten durende "Platina Rows" dat alles op zijn plaats valt en de componist Braxton volop schitteren mag. Het nummer verzoent volop de electronische geluiden die Braxton voor deze plaat verzamelde met de strijkerspartijen die ook al in de vorige nummers te horen waren.

Een stortvloed aan ideeën, melodielijnen en ritmepatronen buitelt over elkaar in wat niet anders dan als een moderne compositie omschreven kan worden. De opbouw en structuur verraden een "klassieke" inslag waar het instrumtarium veeleer modern van aard is. Met "Platina Rows" sluit Braxton ook een eerste plaathelft af (al bestaat die dan vooral in het hoofd van de luisteraar). "Unfurling" laat immers een heel ander en donker geluid horen. Ditmaal komen de klanken uit donkere krochten en verlaten stegen aangeslopen.

Als een naargeestige achtervolger houdt de song zich in schaduw verborgen, al is zijn aanwezigheid onmiskenbaar voelbaar. Helaas biedt "J. City" geen soelaas. De song kiest voor een rockopbouw waarbij jankende gitaren en een semi-verstoorde zang de teneur bepalen. Het enige wat nog ontbreekt om van een duistere Battles-track te kunnen spreken, is de drum van Stanier. Het afsluitende "Dead Strings" biedt net zo min verlossing, maar identificeert zichzelf daarentegen met een dementerende techno-track die finaal de trappers kwijt is geraakt.

Op Central Market weet Braxton zichzelf te profileren als electro-artiest met een rock-attitude en als een moderne componist die het digitale en het akoestische samen laat vloeien tot een wonderbaarlijk geheel, zonder dat een van beide het andere overschaduwt. Het album klinkt tezelfdertijd klassiek en modern, waarbij licht en duister elkaar opvolgen. Central Market is niet de plaat van die ene van Battles geworden, maar wel het visitekaartje van een eigenzinnig en getalenteerd artiest en componist.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 2 =