Jeniferever :: Spring Tides

De Inuit onderscheiden een twintigtal soorten sneeuw. Hopelijk reiken ook de vorstbestendige wortels van uw stamboom tot in de toendra’s van het hoge noorden. Dan lukt het u allicht iets makkelijker alle subtiliteiten van Spring Tides in uw bloedbaan op te nemen.

Jeniferever is een viertal postrockers uit Zweden, dat sinds vorig millennium Scandinavische soundscapes schildert. Ook hun tweede langspeler bestaat uit een pallet meticuleus bij elkaar gemusiceerde impressies van de uitgestrekte ijsvlaktes van hun thuisland. Dat dit pas hun tweede volwaardige album is, lijkt een beetje verwonderlijk. Al hun EP’s werden immers met wierook, goud en mirre overladen. En voorganger Choose a bright morning werd door de muzikale wijzen als een heldere ster aan het muziekfirmament bestempeld. De minimale output heeft alles te maken met de licht autistische drang naar perfectie die deze band drijft.

Ook u zult na een eerste luisterbeurt de blijde boodschap allicht met passie verkondigen: Spring Tides is een fantastisch schone plaat. Nog voor de gemute trompet wegsmelt en de laatste dauwdruppels op het verlegen orgeltje van “St. Gallen” verdampen, plot u de koers in uw gps — de stad ligt in Zwitserland en heeft net als Gent postcode 9000 — en belt u nog vlug naar Midas om te weten wat een set winterbanden u kost. Ook “Sparrow Hills” landt als een wolkje op uw tong. Een sneeuwtapijt van violen, een uit orgelklanken opgetrokken ochtendnevel, en een paar kristalheldere glockenspiel-accenten. Zelfs het The Edgegitaarrifje dat al te veel goeie U2-songs naar de knoppen hielp, maakt deze postkaart alleen maar meer af.

Het is u vergeven als u halfweg de stevige blizzard “Ox-Eye” in oppersneeuwman Kristofer Jönson een lichtjes onderkoelde Robert Smith meent te herkennen. Want veel meer dan aan Sigur Rós doet Jeniferever denken aan een desintegrerende Cure. Met “Ox-Eye” trekken de Scandinaviërs trouwens voor het eerst een geluidsmuur op. Al blijkt het een tuinmuurtje, eerder dan een exemplaar van Berlijnse of Chinese makelij.

En toch, soms moeten we van die muur iets te veel behangpapier wegschrapen om tot de essentie te komen. Zoals de komeet van Haley, die er op het eerste zicht betoverend uitziet, niets meer dan een smeltende ijsbol blijkt te zijn. U mag dan al twintig soorten sneeuw uit elkaar houden, één ding hebben ze allemaal gemeen: in wezen is het koude pap. Zo bent u na zes minuten “Nangijala” hoogstwaarschijnlijk in zo’n diepe winterslaap gesukkeld, dat de fonkelende trompet aan u voorbij gaat. En hoewel het einde van de plaat nog een aantal nummers verbergt die het kippenvel op uw armen zo tevoorschijn tovert, zal alleen de doorwinterde muzikale ontdekkingsreiziger ze ooit te horen krijgen. Winterlandschappen leveren inderdaad prachtige foto’s op, maar tenzij u Dixie Dansercourt heet, past u allicht voor afgevroren tenen.

Spring Tides’ kille adem verraadt metier en vakmanschap. Misschien was dit hoe Pink Floyd in de jaren zestig had geklonken, hadden ze aan de ondergesneeuwde universiteit van Uppsala gestudeerd in plaats van die van het druilerige Westminster. Alleen komt het geheel soms iets te weinig op temperatuur. Bij voorkeur dus niet te nuttigen in de koelafdeling van uw lokale supermarkt, veeleer thuis, op uw schapenvel voor de open haard. En voor wie echt zijn tijd wil nemen en dit werk tot op de bodem wil doorwroeten: “Surrender to your inner Inuit.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 19 =