Gonzo :: The Life and Work of Dr. Hunter S. Thompson




In 2005 werden de assen van auteur Hunter S. Thompson in een
special vervaardigd kanon geplaatst en, samen met een indrukwekkend
vuurwerk, zo’n 150 meter hoog de lucht in geschoten boven zijn
domein in Aspen, Colorado. De spectaculaire verstrooiing werd
bijgewoond door een resem celebrities, waaronder Johnny
Depp (die het hele ding betaald had), John Kerry, Bill Murray en ga
zo maar door. Voor elk normaal mens zou een dergelijk afscheid
waanzinnig zijn geweest, maar in het geval van Thompson leek niets
toepasselijker dan dat. Meer dan zestig jaar lang had hij voor
zichzelf de vrijheid opgeëist om alle conventies de rug toe te
keren. Zijn assen die op deze groteske manier de lucht in werden
gekatapulteerd om vervolgens te exploderen, waren een laatste,
letterlijke uitspatting van dat anarchisme. Eigenlijk de enige
manier waarop het ooit had kunnen eindigen.

In de decennia voor die dag in februari 2005 toen hij zijn eigen
leven nam met een enkele kogel, was Hunter S. Thompson één van de
grootste literaire en journalistieke rebellen die de VS ooit gezien
hadden. Hij was een zuiplap, een drugverslaafde, een amokmaker en
een vaak briljant schrijver. Politiek gezien wist hij een heftige
vaderlandsliefde en een gewerenfetisj te combineren met een sterke
links-liberale tendens. Volgens zijn vrouw kwam hij huilend thuis
na de gewelddadige onderdrukking van het studentenprotest tegen de
Vietnamoorlog te zien, dat plaatsvond in Chicago in 1968. Maar hij
had 22 wapens in huis en schrok er niet van terug om met die dingen
te dreigen tijdens ruzies. Zoals zijn eerste vrouw, Sandra, het
zegt: “Er was een lieve, idealistische kant aan hem. Maar dan kon
hij plots ook venijnig en gemeen uit de hoek komen. En je wist
nooit wanneer je wat kon verwachten.” Een erg schizofreen karakter
dus, dat nu door Alex Gibney (de gerespecteerde regisseur van
documentaires als ‘Enron’ en ‘Taxi to the Dark Side’) wordt
uitgespit in ‘Gonzo: The Life and Work of Dr. Hunter S. Thompson’.
Nuja, “uitgespit”… Zijn karakter wordt voorzichtig omgewoeld om
te checken of er onder de onmiddellijke oppervlakte misschien iets
interessants te vinden is, laat ons het zo zeggen.

We krijgen alle grootste hits uit Thompsons leven, natuurlijk:
we komen te weten dat hij opgroeide in een relatief arm gezin in
Louisville, Kentucky, als zoon van een alleenstaande
bibliothecaresse. Tijdens zijn vroege jaren probeerde Thompson aan
de bak te komen als schrijver voor allerhande bladen, maar zelfs
toen al had hij een bizar karakter dat geen authoriteit kon
verdragen. Zijn grote doorbraak kwam er in 1966, met een boek over
de Hell’s Angels, waarin de glamour van de motorbende
genadeloos doorprikt werd. Het was onder andere door het succes van
dat boek dat Rolling Stone hem in dienst nam als vaste schrijver,
en hier ontwikkelde Thompson zijn beruchte “gonzo journalistiek”:
subjectieve verslaggeving die de journalist zelf centraal stelt. De
gebeurtenissen kloppen misschien met de werkelijkheid (als het
meezit), maar veel belangrijker is de ervaring van de schrijver.
Thompson werd politiek actief toen hij in 1970 probeerde om sheriff
te worden van Pitkin County in Colorado, wat hem ei zo na lukte.
Daarna schreef hij zijn magnum opus, ‘Fear and Loathing in
Las Vegas’, en volgde hij de presidentiele verkiezingen van 1972.
De grote ommekeer kwam er voor hem toen hij in 1974 naar Zaïre werd
gestuurd om de rumble in the jungle tussen Muhammed Ali en
George Foreman bij te wonen. Thompson lag echter apestoned in een
zwembad tijdens het gevecht en diende geen verhaal in – de eerste
keer dat zijn levensstijl zijn werk in de weg stond.

En wat een levensstijl. Eén van de getuigen in de film zegt op
een bepaald moment: “Ik heb nog nooit iemand zo veel drugs zien
nemen als Hunter, maar je zag het effect niet. Hij bleef zich
hetzelfde gedragen.” Dat klinkt als lof, maar de werkelijkheid was
waarschijnlijk dat Thompson zoveel drank en drugs consumeerde dat
hij na een tijd gewoon nooit meer nuchter raakte. Hij leefde in een
constante staat van beneveling, zodat een extra lijn coke, een
extra glas whisky of een extra papiertje met LSD inderdaad weinig
direct effect op zijn gedrag had. De film gaat tamelijk licht over
de verslavingen van Thompson heen – ze worden wel vermeld, maar de
meeste geïnterviewden lijken eerder geamuseerd te zijn door de
extremen van zijn alcohol- en druggebruik. Of anders hebben ze er
een soort van respect voor: kijk eens wat die kerel kon verzetten,
terwijl hij tóch nog bleef functioneren. Waar nauwelijks op wordt
ingegaan in de film, is het feit dat hij zijn vrouw vaak fysiek en
emotioneel terroriseerde, en dat zijn zoon Juan hem nauwelijks
kende: “Ik raakte het gewend dat mijn vader pas rond vijf uur in de
namiddag opstond, zodat ik hem nog maar een paar uurtjes zag.”
Hunter S. Thompsons hele leven was een ongeleid projectiel,
afgeschoten uit een kanon, om duizelingwekkende snelheden en
hoogtes te bereiken. Naar de mensen die hij onderweg kwetste, keek
hij niet meer om.

Het grootste mankement aan Gibney’s film is dan ook dat de
regisseur zich gedeeltelijk laat verblinden door zijn respect voor
Thompson de schrijver, zodat hij geen oog meer heeft voor Thompson,
de mens. Hij laat zich in zekere zin omver blazen door de mythe van
Hunter Thompson en bedekt de kleine kantjes van diens
persoonlijkheid met de mantel der liefde. Ze worden vermeld, maar
hooguit als de zwaktes die eigen zijn aan een creatieve geest.

In dit soort portretten moet je als filmmaker nu eenmaal altijd
zoeken naar een evenwicht tussen eerlijkheid en
muckracking. Hunter S. Thompson was een belangrijk en
fantastisch schrijver. Hij was waarschijnlijk ook een psychisch
zwaar onevenwichtig mens, waarmee het onmogelijk samenleven was.
Waar leg je dan als documentairemaker de nadruk op? Gibney koos
voor de schrijver, wat allicht de juiste keuze was – hoewel hij
dermate voor de schrijver kiest, dat de psychisch onevenwichtige
mens nauwelijks nog aandacht krijgt. Aan het einde van de film wist
ik wat Thompson allemaal gedaan had en welke plaats hij innam in
zijn tijd, maar ik had nog steeds niet het gevoel dat ik hem kende
of begreep. Misschien is dat ook niet de bedoeling.

Vormelijk gaat Gibney voort op zijn indrukwekkende elan, met een
knappe montage, een goed gebruikte voice-over van Johnny Depp, die
fragmenten uit Thompsons teksten voorleest, en goed gekozen muziek
uit de sixties en seventies. De tekeningen van
Ralph Steadman, die niet meer weg te denken zijn uit het
Gonzo-lexicon, komen regelmatig terug om tijdssprongen te
overbruggen en inhoudelijke punten te versterken.

‘Gonzo’ heeft niet genoeg lef om een enigszins kritisch portret
op te hangen van zijn onderwerp, maar hij is wél goed in elkaar
gestoken en meeslepend. En wat nog het belangrijkste is: je krijgt
er ongelooflijk veel goesting van om nog eens in het
wonderlijke proza van Hunter te duiken. Een groter cadeau kan ik me
niet direct voorstellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × twee =