Gran Torino




Als er ergens een prijs voor “meest actieve senior” bestaat, dan
heeft Clint Eastwood hem al lang gewonnen. Zijn productiviteit van
de laatste jaren zou zelfs indrukwekkend zijn voor een jonge
filmmaker, laat staan voor iemand die stilaan de 80 ziet naderen.
Er wordt nauwelijks een recensie van zijn werk gepubliceerd die
niet eerst en vooral ‘s mans leeftijd vermeldt (op het moment van
schrijven: 78 and counting!), al was het maar omdat hij
steeds meer alle conventies tart, gewoon door er nog te zijn en te
blijven werken. In het levensstadium waarin de meeste
mensen aankijken tegen de deprimerende introductie van de
incontinentiepamper, spuwt Eastwood de ene film na de andere uit.
Maar het enorme tempo dat hij aanhoudt, doet de kwaliteit van zijn
producties niet noodzakelijk veel goed. Nog maar enkele maanden
geleden kregen we het lauwe ‘Changeling’ in de zalen, waarin
Angelina Jolie onsuccesvol lobbyde voor een Oscar, en nu levert
Eastwood ‘Gran Torino’ af, een voorspelbaar thriller-drama waarin
de voormalige man with no name alle clichés over zichzelf
zodanig bevestigt, dat het bijna op zelfparodie begint te
lijken.

Eastwood speelt Walt Kowalski, een verzuurde veteraan van de
oorlog in Korea, die net zijn vrouw is verloren en nu van op zijn
veranda met een afkeurende blik de wereld in kijkt. Zijn kinderen
en kleinkinderen zijn enkel op zijn geld uit, terwijl de buurt
waarin hij woont steeds meer verandert in een Aziatisch getto.
Walt, een typische extreemrechtse, racistische ex-militair die er
een erezaak van maakt om de Amerikaanse vlag buiten te hangen en
elke dag zijn gras af te rijden, moet dan ook aanvankelijk niets
weten van zijn Hmong-buren, totdat hij beter kennis maakt met de
jonge Thao (Bee Vang). Thao is een slimme jongen die eigenlijk
niets anders wilt dan in alle rust zijn leven leiden, maar die
continu lastig gevallen wordt door de plaatselijke bende. Wanneer
het conflict tussen de bende en de familie van Thao escaleert,
besluit Walt tussenbeide te komen.

Verleden jaar ontstond er een klein relletje rond Eastwoods Iwo
Jima-tweeluik ‘Flags of Our Fathers’ en ‘Letters From Iwo Jima’,
toen regisseur Spike Lee hem verweet dat er geen enkele zwarte
soldaat in één van beide films te zien was. “Eastwood is een
racist”, orakelde Lee, die een aantal goeie films heeft gemaakt
maar mensen nogal graag racist lijkt te noemen. Het hele
voorvalletje koelde al snel af toen Eastwood op z’n dooie gemakje
antwoordde dat er nu eenmaal geen zwarte zat tussen de soldaten die
de vlag op Iwo Jima omhoog hadden gezet en dat Lee gewoon z’n smoel
moest houden. Maar wie weet, misschien speelde die hele episode
toch mee tijdens het maken van ‘Gran Torino’. In essentie betreft
het hier immers een simplistisch antiracismeverhaal, waarin een
verbitterde ouwe smeerlap leert dat iedereen – blank, zwart of
Aziatisch – uiteindelijk toch maar hetzelfde wil: een gelukkig
leven, zonder schrik te moeten hebben voor de kogels van een
losgeslagen bende. In de roemruchte traditie van zoveel “we zijn
hier op de wereld om mekaar te helpen, nietwaar?”-films,
ontwikkelen Walt en Thao een onwaarschijnlijke vriendschap, waarin
ze zienderogen van elkaar leren. Walt leert andere culturen te
accepteren, Thao leert de waarde van eerlijk werk en discipline, en
de kijker leert vooral dat het leerproces van andere mensen niet
noodzakelijk fascinerend kijkvoer is.

De conclusie van ‘Gran Torino’ wijst zichzelf dus vanaf het
begin al uit. Eastwood onderneemt nog een halfslachtige poging om
aan het einde toch verrassend uit de hoek te komen, maar zelfs daar
slaagt hij niet helemaal in (wie onderweg een beetje oplet, ziet de
finale immers al ruim op voorhand aankomen). De film is een
oerklassiek zedenlesje, niet meer en niet minder. De enige nuance
die Eastwood aanbrengt, is zijn overtuiging dat we met z’n allen
veel te politiek correct zijn geworden. Maak een grapje ten koste
van een bevolkingsgroep, en iedereen schreeuwt moord en brand –
maar ondertussen overleeft racisme toch wel, zij het dan op een
minder expliciete manier, die nog veel gevaarlijker is omdat je ze
minder gemakkelijk kunt plaatsen. Kortom, mensen moeten dringend
een onderscheid leren maken tussen echt racisme en ironie – ‘t is
makkelijker om door je leven te gaan met minder lange tenen. Dat is
dan genoteerd – ik ben het er zelfs mee eens – maar veel verder
reikt de wijsheid van ‘Gran Torino’ niet. Geef toe dat dat een
mager beestje is.

Maar goed, met eenvoudige, voor de hand liggende thema’s kun je
best nog wel een goeie film maken. Wat ‘Gran Torino’ uiteindelijk
de das omdoet, is een onzekere toon, die varieert tussen
bloedserieus dramatisch en zelfrelativerend tragikomisch. Over het
algemeen zou je zeggen dat Eastwood ‘Gran Torino’ erg serieus
bedoeld heeft: het thema is alles behalve vernieuwend, maar wel
ernstig en de regisseur lijkt oprecht in zijn pogingen om een
pleidooi voor verdraagzaamheid op poten te zetten (kijk maar eens
naar dat plechtstatige einde). Maar anderzijds zitten er ook heel
wat scènes in de film die er zo ver óver gaan, dat je bijna zou
denken dat Eastwood zichzelf aan het parodiëren is.

De regisseur speelt zijn personage immers als een hedendaagse
variant op Dirty Harry, die met een stem van in schuurpapier
gewikkelde metaalsponsjes dingen raspt als: “Get off my
lawn!”,
en daarmee meteen de suggestie weet te wekken dat je
best binnen dit en een microseconde van zijn gazon kunt ophoepelen.
Mijn favoriet is echter een scène waarin Eastwood op een viertal
zwarte gangbangers afstapt, een pistool trekt en zegt:
“You know how sometimes you come across someone you shouldn’t
have fucked with? That’s me.”
Cool, zij het niet bijster
geloofwaardig. Als je als 78-jarige een pistool trekt op vier
bendeleden, dan trekken zij immers vier pistolen en daar sta je
dan. Maar zo werkt dat natuurlijk niet in deze film – ‘Gran Torino’
wil dan wel een statement maken over de echte wereld, maar
speelt zich duidelijk af in een parallel universum met een simpele
zwart-wit moraliteit. Hoe ver gaat Eastwood er over? Hij gromt
hoorbaar wanneer hij iets ziet dat hem niet aanstaat. Een beetje
als een hond die ze z’n been willen afpakken. Een oude, chagrijnige
hond dan nog.

Dat twijfelen tussen realisme en hyperbool, tussen drama en
humor, zorgt ervoor dat ‘Gran Torino’ nooit echt weet te
overtuigen. De acteerprestaties in de bijrollen dragen daartoe bij:
Bee Vang krijgt behoorlijk wat moeilijke scènes te spelen als Thao,
maar is lang nog niet rijp genoeg als acteur om die geloofwaardig
in te vullen. Vooral wanneer hij woede moet spelen, durft dat er
nog wel eens uitkomen als iets helemaal anders, waarvan ik niet
zeker kan zijn wat het is. Ahney Her speelt Thao’s zuster, Sue, en
hoewel ze beter is dan Vang, slaagt ook zij er niet in om een
consequent personage op te bouwen. Haar intonatie zit er regelmatig
naast, wat aan haar scènes soms iets toneelschool-achtigs geeft.
Niet alleen haar schuld, natuurlijk: het is ook aan Eastwood om
zulke dingen te horen en haar te corrigeren.

Eastwood heeft al aangekondigd dat ‘Gran Torino’ zijn laatste
film als acteur zou zijn, hoewel hij dat ook al zei over ‘Million
Dollar Baby’ enkele jaren geleden. Hij had toen beter woord
gehouden, dan had hij tenminste een waardig afscheid gehad. ‘Gran
Torino’ is één van zijn grootste missers van de voorbije jaren –
inhoudelijk simplistisch, onzeker van toon, soms karikaturaal en
met zwakke acteurs in de bijrollen. Na ‘Changeling’ en deze mag ik
hopen dat de eerbiedwaardige krasse knar zich snel herpakt. Wanneer
krijgen we nog eens iets van het kaliber van ‘Letters From Iwo
Jima’, Clint?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 20 =