The Man Without a Past





Met : Markku Peltola, Kati Outinen, Juhani Niemelä, Kaija
Pakarinen, Sakari Kuosmanen e.a.

U dacht dat een zeven dagen oude homp brood droog was? Dat een
droge worst maar weinig expressie kon leggen in zijn gerimpeld
velleke? Dat Anders Thomas Jensen en Roy Andersson zich
gespecialiseerd hadden in droge Scandinavische humor? Driemaal mis.
Aki Kaurismäki, die is droog. Met zijn licht verkrampte acteurs,
schuurpapieren dialogen en deadpan humor is de
eigenzinnige Finse regisseur misschien wel de ‘droogste stoppel’
ooit. De humor in ‘Mies vailla menneisyyttä’ ofwel ‘The Man Without
a Past’ is zo subtiel en martini dry dat je zelfs niet
goed weet óf je wel mag lachen. En toch weet Kaurismäki temidden
van al die pokerfaces een oprecht mooi liefdesverhaal te doen
opbloeien. Een straffe toer.

Voorafgegaan door het eenvoud sierende ‘Drifting Clouds’ over
werkloosheid en gevolgd door ‘Lights in the Dusk’ over eenzaamheid,
vormt ‘The Man without a Past’, over een dakloze met
geheugenverlies, het middendeel van Kaurismäki’s zogenaamde
‘losertrilogie’. Een man gespeeld door Markku Peltola -de geknipte
acteur voor de zaak- wordt op een avond in Helsinki in elkaar
geslagen door dieven en voor dood achtergelaten. Hij legt net niet
het loodje, maar heeft geen flauw idee wie hij is. Zonder
identiteit probeert hij tussen de andere verstotenen van de
maatschappij in een als huis geïmproviseerde container een nieuw
leven uit de grond te stampen. Zeker wanneer hij de bevallige Irma
ontmoet bij het Leger des Heils, is hij vastbesloten om er iets van
te maken. De kans die hij met zijn geheugenverlies gekregen heeft
om volledig van nul te beginnen, zonder oude koeien die opdoemen
uit de poel van het verleden, grijpt hij voorzichtig maar kordaat
met beide handen. De solidariteit blijkt groot onder de daklozen en
beetje bij beetje krijgt zijn nieuwe leven vorm, beginnend met een
rood, proper gestreken hemd.

Dat Kaurismäki het graag sober houdt, is een understatement. Het
verhaal van de film trekt traag op, dobbert zwijgzaam door het
armtierige leventje van de man en is niet van plan om zich tot
spectaculaire wendingen te laten verleiden. Kaurismäki loopt met
een grote boog om grootste, flitsende actie, luidkeels gebrul of
zwaaiende armen heen. Hij neemt de kleine tegenslagen van de
werkklasse onder de arm en leidt ons rond in het dagelijkse leven
van enkele intrigerende personages. De voorzichtige romance tussen
de man en Irma zien we niet groeien op basis van in close-up
genomen smachtende blikken, geanimeerde diepgaande gesprekken of
zelfs maar duidelijke lichaamstaal, hun liefde sluimert veeleer in
de manier waarop het stoïcijnse standbeeld in Irma zachtjes tot
leven komt onder zijn blik en ze haar vrouwelijkheid meer durft te
ontbloten. Of in een gesprekje over een trip naar de maan en terug,
in bijna monotone klanken uit de mond van nauwelijks een krimp
gevende gezichten. Gedoopt in een unieke nostalgische, vaal
gekleurde jukebox- en rock-‘n-rollsfeer geeft de film stapje per
stapje zijn personages bloot en krijgen we sympathie voor deze
‘Kaurismäki’.

De muziekband van het Leger des Heils die net iets meer gaat
rocken dan voordien (de voeten mogen al eens wippen). De man die
acht aardappelen oogst in zijn zelf geïmproviseerd tuintje. De
bankoverval van de boef die zijn daden tegen de man vergoelijkt en
zijn hulp inwint. Tot erg grote ontwikkelingen komt het allemaal
niet, maar de flegmatieke Fin probeert gewoon de werkelijkheid niet
romantischer (en flitsender) voor te stellen dan hij is. “Life
is too sad to bear and there is no hope for anyone. So now, let us
drink to happy endings
.” De neiging om het allemaal vrij
realistisch en daardoor ook wat rauwer te houden, wordt gelukkig
geventileerd met die typische amusante, bizarre humor van hem. De
eigenaar van de container die dreigt zijn superlieve hond
‘Hannibal’ op de man af te sturen als hij niet op tijd betaalt
(‘hij eet alleen rauw vlees!’), is goud waard en zo zijn er nog van
die licht surrealistische momenten die een verwonderde schater uit
de mond lokken. Peltola en Outinen maken van hun personage droge,
zelfzekere mensen, maar leggen eveneens hun kwetsbare kant
bloot.

Kaurismäki is de ultieme droogzak, maar ook voor ‘The Man
Without a Past’ bestaat er een woord: dé (zelfverklaarde) ultieme
anti-Hollywoodfilm. Iets waar Kaurismäki zich wellicht perfect in
kan vinden, want als er iets is dat de eigenzinnige filmmaker haat,
dan is het Hollywood en de voorgekauwde cinema die het uitspuwt.
Hij filmt niet alleen met een kleine ploeg, minimaal budget (en
weinig instructies), hij houdt het filmisch gezien ook bewust
klein. Geen zwiepende camera, flashy montage, maar to the
point
opnames, die soms zelfs cru afbroken worden zodra wat
gezegd is gezegd is. Je zult hem zeker niet op een shot te veel of
te lang betrappen.

Ook zijn doelpubliek houdt hij bewust klein (hoewel de film wel tot
een kleine hit uitgroeide, vooral onder de critici). Aki maakt
liever een diepe indruk op één kijker, dan een gewone op één
miljoen kijkers. En hij heeft wel een punt: het vergt wat
aanpassing en extra inlevingsvermogen om van een Kaurismäki te
kunnen genieten, maar als je het programma van je wasmachine op
‘kreukvrij’ en je droogkast ‘extra droog’ weet te zetten, dan ben
je vertrokken voor een bijzonder ritje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 1 =