The X-Files :: I Want to Believe





Omdat het niet alle dagen de grootse terugkeer van Zijne Gevlederde
kan zijn, krijgen we deze week misschien wel de meest overbodige
sequel – tot ‘The Mummy 3’ ongevraagd komt aankloppen wellicht –
van de zomer op ons bord. ‘The X-Files’ mag dan wel
generatiedefiniërende sciencefictioncult uit de jaren negentig
zijn, zes jaar na het beschamend zwakke slotseizoen klopt bedenker
Chris Carter de allerlaatste nagel in de paranormale doodskist van
zijn geesteskind. ‘X-Files: I Want to Believe’ is een
nostalgiebreker, een onthustend onmysterieuze X-File en een ronduit
belabberde thriller. Duchovny doet zijn uiterste best om met zijn
monotone stemmetje de kille sfeer terug op te roepen en de nog
steeds even ravissante roodharige verschijning van Gillian Anderson
bracht ons even terug naar onze UFO-kelder van tien jaar geleden,
maar voor de rest is deze laattijdige afsluiter slechts een doffe
schim van wat de serie ooit zo origineel en intrigerend
maakte.

Zes jaar zijn gepasseerd sinds believer Mulder (David
Duchovny) onder de mat van de FBI werd geveegd en dokter Scully
(Gillian Anderson) haar eigen weg is gegaan richting
kinderziekenhuis. Maar wanneer de verdwijning van een FBI-agente
gelinkt wordt aan de visioenen van een pedofiele priester (Schotse
komiek Billy Connelly) wordt het meest iconische speurdersduo sinds
Anneke en Pol uit Merlina terug herenigd om de mogelijk
bovennatuurlijk getinte verdwijningszaak op te lossen. Mulder is er
nog altijd van overtuigd dat er meer is dan we denken, terwijl
Scully sceptischer dan ooit staat te wezen, zeker wanneer ze ook in
het ziekenhuis geconfronteerd wordt met de beperkingen van de
wetenschap. Maar de klok tikt verder, de priester doet akelig
gedetailleerde voorspellingen en er worden nauwkeurig afgehakte
ledematen gevonden onder het ijs. Watch the skies… of
zoiets.

In tegenstelling tot het degelijke, maar zeker niet helemaal
geslaagde ‘Fight the Future’, de eerste X-Files-film die diende als
een brug tussen twee seizoenen, is ‘I Want to Believe’ een
opvallend kleinschalige onderneming. Er vanuit gaande dat dit de
laatste ‘X-Files’-film is, zou je verwachten dat Carter een groots
opgezette samenzweringscomplot, definitieve antwoorden en
verrassende wendingen op het publiek zou loslaten, maar niets is
minder waar. Weg zijn de blockbusterallures, UFO-schotels en ook de
locatie beperkt zich tot het knap in beeld gebrachte sneeuwwitte
decor van Vancouver. Ergens bewonderenswaardig dat Carter een
back to basics-prent wil maken, waar de personages – de
enige reden waarom deze film ook maar een beetje de moeite is – op
de voorgrond komen, maar het had toch allemaal net ietsje specialer
en ambitieuzer mogen zijn. Het nooit op het grote scherm
thuishorende ‘X-Files: I Want to Believe’ is een droge, bijna
deprimerende mysteriethriller die weinig mysterie biedt en nog veel
minder getril. Wat krijg je dan wel? Veel melodramatische momenten
die de op zich interessante basisthematiek van geloof versus
ongeloof veel te flets en pedant overbrengen, een Billy Connelly
zonder moppen en zero onderhuidse seksuele spanning tussen Mulder
en Scully. Tegenvaller dus.

Het grote probleem ligt ‘m niet bij de personages – die een sobere,
maar geloofwaardige evolutie hebben doorgemaakt sinds we ze het
laatst gezien hebben – maar bij het flutverhaaltje waar ze in
moeten rondlopen. De parallel gemonteerde openingsscène rilt nog
veelbelovend en ergens halverwege zorgt een veel te lang op zich
wachtende achtervolging voor wat beweging, maar voor de rest blijft
‘I Want to Believe’ veel te log hangen door weinig sprankelend
gepalaver (waar waren die frisse dialogen uit de serie?) en een
terminaal vervelende subplot over een terminaal kindje die de
centrale mysterieplot lijkt over te nemen als een saaie, maar
efficiënte parasiet. Die hoofdplot hangt trouwens met haken en ogen
aan elkaar en naarmate de anti-ontknoping eraan komt, kan het je al
lang niet meer schelen waar het precies over gaat. Dit gezegd
zijnde, zelden zo’n zwakke climax gezien als die van ‘The X-Files:
I Want to Believe’.

Het zijn dus die geliefde personages die het moeten doen. Mulder en
Scully krijgen hun kleine momenten (de fans hun hart zal zeker eens
overslaan bij een intiem moment) en worden nog steeds met veel
verve vertolkt door Duchovny (zijn introductie in zijn met
krantenknipsels behangen kamertje is een fijntje) en Anderson, maar
de nevenpersonages lopen er al even verloren bij als die arme
Robert Patrick in de latere seizoenen. Nieuwkomers Amanda Peet en
rapper-acteur-norskop Xzibit krijgen absoluut niks om handen,
ondanks het feit dat hun personages potentieel bieden om wat
welkome dynamiek (waarom werd Peets personage niet gebruikt om een
wig te spannen tussen Mulder en Scully?) te brengen. Enkel een
intense Billy Connely maakt nog een beetje indruk als de dubieuze
weirdo waar de plot mee valt of staat, maar ook hij kan niet helpen
dat het rommelige, op banale en onnozele (die brievenbus!)
wendingen gefundeerde verhaaltje langzaam maar zeker als een
kaartenhuisje in elkaar stort. En van onnozelheden gesproken,
Scully research laten doen naar stamcelonderzoek door ze het even
te laten googlen is zo mogelijk nog debieler dan de ‘ben ik nog op
tijd om even gedag te zeggen?’-cameo van Mitch Pileggi als Skinner.

Een beetje eigenaardig dat Carter en co. de hondstrouwe fan beloont
met een futloze coda die zelfs niet aan het niveau van een
middelmatige aflevering van de serie geraakt. Als je dan toch de
low key-kaart trekt, zorg dan tenminste dat het een beetje
spannender, een beetje mysterieuzer en een beetje origineler is.
Een beetje meer ‘X-Files’ dus. Enkel voor de rabiate fans die ervan
overtuigd zijn dat het negende seizoen het hoogtepunt van de reeks
was.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − vier =