Kung Fu Panda




92 min. / USA /
2008

Schattige dieren flitsen tegen de snelheid van het licht voorbij
in een felgekleurd decor, er worden per minuut ongeveer tien gags
op het niveau van de gemiddelde achtjarige gemaakt en het verhaal
stevent af op een voorspelbare moraal (de aanhouder wint!):
nope, veel nieuws is er niet onder de zon in ‘Kung Fu
Panda’. Deze nieuwe CGI-animatiefilm van Dreamworks wordt dan wel
in de zalen gedropt als tegenprogrammering voor Pixars ‘Wall-E’,
maar wie een gelijkaardige ambitie verwacht is er aan voor de
moeite. ‘Kung Fu Panda’ is weinig meer dan een oppervlakkige
herschikking van al die elementen die vorige animatiefilms
succesvol maakten (toch op z’n minst financieel): snelle grappen
die vaak missen en soms raak zijn, veel actie, weinig verhaal en
personages die knuffelbaar genoeg zijn om in pluche dan wel plastic
uitvoering perfect bij een Happy Meal te passen. Kinderen en weinig
veeleisende ouders zullen zich er ongetwijfeld bij amuseren, maar
terwijl in de zaal ernaast een klein robotje zichzelf de pleuris
werkt om op z’n minst eens een keer iets anders te doen met de vorm
van de animatiefilm, moet je hier vaststellen dat de makers
genoegzaam teren op het succes van hun voorgangers. Op conventies
en clichés.

Po (stem van Jack Black) is een onhandige, corpulente panda die
ervan droomt om een kung fu-meester te worden, maar ondertussen in
de noedelbar van zijn vader werkt. (Zijn vader is overigens een
soortement gans of ooievaar, wat eigenaardige vragen oproept over
zijn verwekking en geboorte die de film, allicht niet onverstandig,
onbeantwoord laat.) Het Chinese dorp waarin Po woont, wordt min of
meer bestuurd door Meester Oogway (Randall Duk Kim) en diens
sidekick Shifu (Dustin Hoffman), twee kung fu-meesters die
instaan voor de bescherming van de bewoners van de vallei. Wanneer
Tai Lung (Ian McShane), een gevreesde killer, ontsnapt uit
zijn gevangenis, is het aan Oogway en Shifu om de chosen
one
aan te duiden die hem zal moeten tegenhouden. (Waarom ze
dat zelf niet gewoon doen, is ook weer zo’n detail waar je beter
niet te veel over nadenkt.) Drie maal raden welke panda door een
stom toeval tot uitverkorene wordt gebombardeerd.

Je moet de film niet gezien hebben om te weten hoe dat verhaal
afloopt. Wat meer is, je moet de korte samenvatting niet eens
gelezen hebben, het is genoeg dat je de titel hoort. De prent heet
‘Kung Fu Panda’ en daar gaat het ook over: Po is een
underdog die al even weinig van zichzelf verwacht als alle
anderen om hem heen, maar (gelieve niet achterover te vallen van
verbazing) als je in jezelf gelooft kun je meer dan je vermoedt. Ja
hoor, over dat boodschapje hebben de scenaristen héél lang moeten
nadenken.

Dat voor de hand liggende verhaal, dat we in de één of andere
variant al hebben zien opduiken in duizend films die de
American dream genegen zijn, geeft een idee van de
kwaliteit van de prent, maar vooral ook van de mentaliteit waarmee
die gemaakt is. Zonder echt slecht te zijn (daarvoor zijn er te
veel geslaagde gags aanwezig), krijg je wel de indruk dat dit een
lopende band-werkje is. Men neme een trommel vol moppen, men
bedenke een verhaaltje waar men die moppen kwijt in kan (dit
stadium van het proces hoeft niet te lang te duren), men animere
dat zo flitsend als men kunne en men gaat zijn centen tellen.
Et voilà.

Wat ‘Kung Fu Panda’ op z’n minst gedeeltelijk weet te redden, is
het feit dat de humor, waar de hele prent tenslotte op steunt,
regelmatig wel werkt. Er zijn geinige one-liners (We do not
wash our pits in the lake of the Heavenly Tears!)
en
verrassend goed getimede slapstick (het gevecht om de deegbal is
zeer de moeite), die het banale verhaaltje alvast tijdelijk kunnen
doen vergeten. Het helpt ook dat de makers voor eenmaal de
postmoderne verwijzingen naar andere films of popcultuur achterwege
laten. Wat geanimeerde flops zoals ‘Shark Tale’ zo ergerlijk
maakte, was gedeeltelijk het voortdurende geknipoog naar het
publiek, alsof de makers met hun ironische benadering wilden
aangeven dat ze eigenlijk slimmer waren dan het verhaal van hun
film deed vermoeden (als ze dan echt zo slim waren, waarom
bedachten ze dan geen beter verhaal?). Hier krijgen we dat goddank
niet: de makers vertellen hun plot (voor zover het een naam mag
hebben) op een vrij recht-door-zeeë manier, die weinig zijsprongen
toelaat. Het gevolg is dat de humor oprechter, minder drammerig
overkomt en dat het tempo steeds hoog blijft liggen. Regisseurs
Mark Osborne en John Stevenson doen misschien weinig moeite om
origineel uit de hoek te komen, maar gelukkig impliceert dat ook
dat ze niet de onbedwingbare prestatiedrang voelen om het publiek
elke vijf seconden een por in de ribben te geven en te zeggen:
“kijk eens hoe clever wij zijn!”.

Visueel is ‘Kung Fu Panda’ in orde, zonder nog echt grenzen te
verleggen (die dagen zijn denk ik grotendeels voorbij sinds ‘Shrek’
de lat definitief op een enorm hoge standaard legde). De regisseurs
hebben voor hun setting gekozen voor een traditionele oosterse mix
van invloeden – wat waarschijnlijk wilt zeggen dat ze een keer naar
de oude Bruce Leefilms hebben gekeken, naar ‘Crouching Tiger,
Hidden Dragon’ en ‘Kill Bill’ en het daarbij hebben gehouden wat
research betreft. Het ziet er allemaal erg kleurrijk uit, met
gouden blaadjes aan de perzikbomen, mistige rivieren, besneeuwde
bergtoppen en gebouwen die Japanse en Chinese stijlen vrolijk op
een hoop gooien. Ach ja, het is eye candy, ontworpen om te
doen wat zoveel Amerikaanse animatiefilms doen: een exotische
achtergrond gebruiken om Amerikaanse waarden uit te dragen (geloof
in jezelf en je kunt alles!). In ‘Aladdin’ deden ze destijds exact
hetzelfde: de Arabische en Indische culturen werden in een mixer
gestopt om het verhaal te vertellen van een straatjongen die de
American dream waarmaakt: rijk worden en trouwen met een
knappe madam.

Is ‘Kung Fu Panda’ dan een slechte film? Nee, niet echt. Het
doelpubliek (kinderen tot twaalf jaar) zal waarschijnlijk niet
beseffen hoe afgezaagd het verhaal eigenlijk is en voor hun ouders
zijn er genoeg leuke grappen om de negentig minuten met gemak door
te komen. Vaak met een glimlach, soms hardop lachend. De regisseurs
hebben hier erg bescheiden doeleinden – moeten ze gecomplimenteerd
worden omdat ze die doeleinden bereiken? Niet echt, maar op een
doorregende zomermiddag aan het begin van de grote vakantie helpen
ze je wel om je kinderen een tijdlang stil te houden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 4 =