DOSSIER GRUNGE: Sub Pop en Mudhoneys ‘Superfuzz Bigmuff’ :: Hoe grunge een huisstijl werd

Dit artikel verscheen voor het eerst op 25 juni 2008 naar aanleiding van de twintigste verjaardag van Sub Pop. We hernemen het nu in ons Dossier Grunge, als stukje van het volledige verhaal.

Er valt wat te vieren dit jaar. Zowel Mudhoney als platenlabel Sub Pop blazen twintig kaarsjes uit. Wanneer grunge ooit effectief als genre vorm gekregen heeft, is nog altijd voorwerp van discussie, maar feit is dat zowel Mudhoney als Sub Pop geen onbelangrijke rol in het verhaal gespeeld hebben.

Sub Pop zelf viert zijn twintigste verjaardag met het Sub Pop 20-festival, volgende maand in Seattle. Mudhoney deelt in de vreugde door aldaar op het podium te verschijnen. Daarnaast ligt ook het debuut van de band, Superfuzz Bigmuff, opnieuw in de winkels in een deluxe-editie. Goddeau viert mee en gaat op zoek naar de wortels van de grunge.

Muziekjaar 1988 is op z’n zachtst gezegd boeiend te noemen: Alice Cooper onderneemt een poging om gouverneur van Arizona te worden, Sonny van Sonny en Cher wordt burgemeester van Palm Springs en Michael Jackson klimt op de troon in Neverland. Muzikaal is het een gouden tijd voor Phil Collins die met zijn "A Groovy Kind Of Love" de hitparades domineert en Enya krijgt een platina aura voor de verkoop van "Orinoco Flow".

Slechtste band ter wereld

Gelukkig borrelde het onder de oppervlakte eveneens. In hetzelfde Palm Springs zet een piepjonge Josh Homme met Katzenjammer zijn eerste muzikale passen, in Chicago vormt Billy Corgan de eerste versie van The Smashing Pumpkins en enkele platen die later levens zullen veranderen, belanden in de winkelrekken: Sonic Youths Daydream Nation, Hairway To Steven van Butthole Surfers en Bug, de voorlopig laatste langspeler van de originele Dinosaur Jr.

Maar er borrelt nog meer: in Seattle wemelt het van de gitaargroepjes die, aangezien succes door niemand als een serieuze optie beschouwd wordt, er lekker op los spelen, zoals jongelui dat nu eenmaal doen wanneer ze de kans hebben om veel lawaai te maken en niets anders om handen hebben. Waren die groepjes goed of slecht? Eén ervan, Mr. Epp And The Calculations, werd tijdens een radiosessie in de vroege jaren tachtig geïntroduceerd als "de slechtste band ter wereld". Dat de groep genoemd was naar de wiskundeleraar van de leden, was mogelijk al een indicatie in die richting.
Mark McLaughlin, frontman van de band, had echter zelf een ietwat andere omschrijving: "Pure grunge! Pure noise! Pure shit!" luidde het in een brief waarmee hij in 1981 zijn groepje bij een lokaal muziekblad probeerde te promoten. Met Mr. Epp werd het niets, maar de term die McLaughlin lanceerde, zou tien jaar later een begrip zijn.

McLaughlin was geen opgever. Hij doopte zich om tot Mark Arm en startte met jeugdvriend en gitarist Steve Turner een nieuwe groep: Limp Richerds. Wanneer het met die band eveneens niets werd, zette het tweetal samen met Jeff Ament en Stone Gossard een zoveelste project op poten: Green River, genaamd naar de seriemoordenaar die in die periode een veertigtal vrouwen vermoordde.

Niet alleen qua groepsnamen maakte Arm vorderingen, ook muzikaal begon er zowaar iets te bewegen. Green River debuteerde in 1985 met de ep Come On Down op het toen bloeiende Homestead-label. De opvolger, Dry As A Bone, verscheen zelfs op een gloednieuw label.

Muziekfreaks Bruce Pavitt en Jonathan Poneman brachten op dat moment op min of meer reguliere basis een fanzine uit dat, op even onregelmatige basis, al eens voorzien werd van een bijbehorende cassette. Om het tiende nummer — op zeven jaar! — te vieren, bracht het duo in 1986 een verzamelelpee uit: Sub Pop 100, een schijf die met ondermeer Wipers, U-Men en Sonic Youth enkele kleppers uit de ondergrond op de tracklist had staan. En wat doe je als je eenmaal de stap naar vinyluitgaven hebt gezet? Nog platen uitbrengen!

De eerste non-compilatie die op Sub Pop verschijnt, is Green Rivers Dry As A Bone. De plaat werd opgenomen in Reciprocal Recording, met achter de knoppen Jack Endino. Als er in al de discussies die in de loop der jaren gevoerd zijn over wat grunge nu eigenlijk is, ooit een lijst opgesteld is van kenmerken waaraan een plaat moet voldoen om onder die noemer te vallen, dan hebben zowel Dry As A Bone als opvolger Rehab Doll een zowat maximale score. De gitaarrock knalt vervaarlijk uit de boxen, maar bovendien zijn er enkele vormelijke constanten: niet alleen kon er in die periode zowat een gelijkheidsteken tussen Sub Pop en grunge geplaatst worden. Want zowat alles wat op het label verscheen, was onder de hoede van Jack Endino op band gezet in de Reciprocal-studio. Tel daar nog de contrastrijke, zwart-witconcertfotografie van Charles Peterson bij die het artwork sierde, en je kan van een huisstijl spreken waardoor het platenlabel de bands bijna overschaduwde.

De Russ Meyer-connectie

Maar voor het echt zover is, gooide ook Green River de handdoek in de ring. Ament en Gossard kwamen in Mother Love Bone terecht, een groep die lokaal een zekere status wist op te bouwen, maar wiens verhaal in 1990 abrupt eindigde nadat frontman Andrew Wood een fatale dosis heroïne neemt. Ament en Gossard richtten met Pearl Jam een zoveelste nieuwe band op en stelden een jaar later vast dat ze wereldsterren geworden waren.

Mark Arm en Steve Turner van hun kant, rekruteerden in januari 1988 Matt Lukin van de Melvins en Dan Peters van Bundle Of Hiss respectievelijk als bassist en drummer en noemden zichzelf Mudhoney, naar de cultfilm van Russ Meyer. Een jaar later zou een beginnende band uit Noorwegen een affiche tegenkomen van het Meyer festival, met naast Mudhoney en Faster Pussycat Kill Kill, Motorpsycho op het programma. Omdat de eerste twee namen al bezet waren als groepsnaam, werd de laatste naam gekaapt, maar dat is een ander verhaal.

Amper twee maand na de formatie van Mudhoney, zat de nieuwe band van Arm met Jack Endino in de studio — Reciprocal Recording, jawel — om een debuutsingle op te nemen. Die single werd tevens de eerste 7" die op Sub Pop verscheen, een feit dat Poneman en Pavitt aan het denken zette. Hoewel "Touch Me I’m Sick", de single in kwestie, volgens Endino zowat geniaal was, besloten de labelbonzen het zekere voor het onzekere te nemen en het schijfje op gekleurd vinyl en in beperkte oplage uit te brengen. Indielabel of niet, de wet van vraag en aanbod speelt overal. Later zou Sub Pop dat principe overigens op grote schaal toepassen met het oprichten van zijn fameuze singlesclub. Wie zich inschreef, kreeg elke maand een niet in de handel verkrijgbare, exclusieve 7" in de brievenbus. Minstens één lid van die club is enkele jaren geleden een stevige duit rijker geworden door de hele zwik in een keer op eBay te koop te bieden.

Bruce Pavitt had trouwens meer dan een vormelijke hand in die eerste single van Mudhoney. In Hype!, de uitstekende grungedocumentaire die Doug Pray in 1996 draaide, legt een behoorlijk beschonken Arm uit hoe Pavitt hem voor de eerste opnamesessie van Mudhoney van advies voorzag: "zing over honden, zing over ziek zijn, maak er een gimmick van. En gebruik nooit meer dan drie akkoorden in één nummer."

Hoewel "Touch Me I’m Sick" geen hit werd, wist het nummer in geen tijd een cultstatus op te bouwen en ook nu nog geldt het als het Mudhoneynummer bij uitstek. Maar zoals Nirvana meer is dan "Smells Like Teen Spirit", is uiteraard ook Mudhoney meer dan "Touch Me I’m Sick". Twee maand na de release van de single, kwam de band met een debuut-ep op de proppen, met daarop zes knallers die in het verlengde lagen van "Touch Me I’m Sick": Superfuzz Bigmuff heette het ding en het was genoemd naar de twee effectpedalen waaraan Mudhoney zijn karakteristieke gruizige — grunge — gitaarklank te danken had.
Een jaar voor Bleach was ten tijde van het verschijnen van Superfuzz Bigmuff de grunge in volle bloei in Seattle. Met releases van Girl Trouble, Blood Circus en, jawel, de debuutsingle van Nirvana, had Sub Pop op dat ogenblik absoluut de vinger aan de pols van wat muzikaal leefde in de stad. Creativiteit vierde werkelijk hoogtij en door de koopmansgeest van Poneman en Pavitt konden bands die anders gedoemd waren tot een semi-bestaan in de garage daadwerkelijk platen uitbrengen.

Hoewel Superfuzz Bigmuff het in eerste instantie niet bepaald schitterend deed in de verkoopcijfers, was Mudhoney toch een prioriteit voor Sub Pop. De groep mocht mee op tournee met Sonic Youth en wist op die manier in Groot Brittannië het pad te effenen voor opkomende groepjes als Soundgarden en Nirvana.
Ook Poneman en Pavitt zaten niet stil. In de loop van ’88 nodigden ze Everett True, journalist van het Britse Melody Maker, uit naar Seattle, met als resultaat dat True, nog voor er echt reden toe was, in Engeland mee de grungehype op gang trok. Hand over hand nam de belangstelling voor de artiesten uit Seattle toe en de ene na de andere band verliet Sub Pop ten voordele van een major label. In het geval van Nirvana bleek dat geen slechte zet. De opvolger van hun debuut was immers muzikaal een ferme stap vooruit en zou misschien niet in het nauw afgebakende plaatje van het toenmalige Sub Pop gepast hebben. Mudhoney bleef trouw aan het label en bracht zijn twee volgende platen uit op Sub Pop. Prima albums, daar niet van, maar in tegenstelling tot veel collega-bands leek Mudhoney nauwelijks te evolueren en bleek het viertal na Superfuzz Bigmuff al over zijn creatieve piek te zijn.

Zeitgeist ’88

Na het waanzinnige succes van Nirvana’s Nevermind werd Mudhoney alsnog binnengehaald door Reprise, maar toen was het al te laat. Piece Of Cake werd een ronduit zwakke plaat en de opvolgers deden keer op keer niet veel anders dan het verleden herkauwen. Ook het recente Under A Billion Suns en het zopas verschenen The Lucky Ones zijn in dat bedje ziek: prima platen, met prima songs, maar uiteindelijk zijn beide albums niet veel meer dan de producten van een stel veertigers in wiens wereld het voor eeuwig 1988 is.

Van grote kunst wordt gezegd dat geest van de tijd er in kristalliseert en hoewel de leden van Mudhoney muzikaal verre van genieën zijn en evenmin qua originaliteit écht hoge toppen gescheerd hebben, was Superfuzz Bigmuff zo’n plaat die er knal opzat: een album waar het amateurisme en de spontaniteit van afstralen, op zo’n manier dat je tijdens het beluisteren even in een wild pogoënde meute staat die zichzelf volledig laat gaan op de tonen van het halfdronken stel jongelui op het podium. En daar is geen steward die je vraagt niet te roken, en als je met bekers gooit, is het enige dat er kan gebeuren dat je een veelvoud teruggegooid krijgt. Niemand maalt om bier- en zweetplekken op kledij want vestimentair balanceert alles toch op het randje van weggooien. Er is te veel volk in de zaal, veiligheidspictogrammen zijn nergens te bekennen en de geluidsinstallatie beweegt zo hard dat de voorste rijen permanent in levensgevaar zijn. Maar wat zou het? Want het is pure grunge, pure noise, pure shit, een geluid en bovenal een sfeer die nergens zo accuraat werd vastgelegd als op Superfuzz Bigmuff.

Superfuzz Bugmuff ligt momenteel in een deluxeversie in de winkel, inclusief tonnen oorverdovend bonusmateriaal. Mudhoney speelt op 12 juli op het Sub Pop Festival. Een dag later maakt Green River op dat gebeuren zijn opwachting met een eenmalige reünie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf + 10 =