Martina Topley Bird :: The Blue God

PIAS, 2008

Tricky ontdekte Martina Topley Bird eind jaren negentig en ging
meteen een amoureus en professioneel verbond met haar aan – dat
laatste staat vastgelegd op ‘s mans solodebuut ‘Maxinquaye’; voor
illustraties van het eerste bent u op de verkeerde site terecht
gekomen. In 1998 kregen ze ruzie op beide velden en kroop Martina
dan maar op eigen houtje in de pen. Pas in 2003 wandelde ze de
studio uit met Quixotic onder de arm.
Een snelle schrijfster is ze zeker niet. Na de warme ontvangst van
deze eersteling was het nogmaals vijf jaar stil rond deze deerne,
maar dankzij een plaatje als ‘The Blue God’ is dat wachten
natuurlijk snel vergeten en vergeven.

De meest memorabele stem heeft Martina niet. Het beste aanknooppunt
is in feite Nina Persson en bij lichte rockriedeltjes als ‘April
Grove’ zou je wel eens verkeerdelijk denken een nieuwe
Cardigans-song ontdekt te hebben. Toch weet ze dit mooi te maskeren
door muzikaal inventief uit de hoek te komen. In soms behoorlijk
minimalistische songs weet ze alsnog de nodige variatie te steken
om de aandacht te behouden. ‘Something To Say’ is in deze categorie
een topsong: sexy electronica verfraaid met enig gitaarwerk en
enkele zwoele kreuntjes. We denken terug aan het debuut van Sneaker
Pimps; met graagte want dit is het lichtjes vuile sfeertje waarvan
we houden. Een loungier ‘Phoenix’ klinkt meer als Husky Rescue (opnieuw
door die stemgelijkenis). Een koele basisscoundscape krijgt door
enig accentwerk meer dramatiek zonder artificiële overdrijving. De
beste manier om de glazige vocals alsnog van een kloppend hart te
voorzien.

Klasseer ‘The Blue God’ toch niet zomaar onder de noemer triphop of
electronica, want er is ook plaats voor een fikse portie klassepop
en soul. ‘Poison’ is de geschikte kandidaat voor de Martini-reclame
van deze zomer. Minstens even veel hitpotentieel zit in ‘Carnies’,
dat aanleunt bij het soulvolle Morcheeba-werk maar
mysterieuzer aandoet omwille van de hoge vocals. Voor een pareltje
als ‘Baby Blue’ had het Motownlabel in de jaren zestig ongetwijfeld
een oorlog gevoerd: een popsong die tegelijkertijd onschuldig en
dodelijk sexy aandoet (o, dat lichtjes naief gezongen “Baby
Blue I don’t know what to do when you call to me”
). Even lijkt
het alsof Erykah Badu en Duffy de handen in
elkaar geslagen hebben. ‘Valentine’ had ook gerust op het album van
die laatstgenoemde kunnen verschijnen en zou daar meteen één van de
aandachtstrekkers op vormen: een prachtige melancholische
lovesong.

Een breed palet aan invloeden dus, die toch allemaal mooi
samenvloeien binnen één solide plaat. Enkel het stompzinnige
vullertje ‘Da Da Da Da’ – what’s in a name – had
vroegtijdig de koffers mogen pakken. Zoals de vele vergelijkingen
in de vorige paragrafen al laten veronderstellen, klinkt het
allemaal niet bijster origineel. Bij ‘Razor Tongue’ dachten we
zelfs even aan ons eigenste Monsoon. Toch kan Martina haar
luisteraar inpakken door de vaardigheid waarmee de songs
vervaardigd zijn. Bovendien durft ze hier en daar ook risico’s
nemen. “It’s cruel to detain me”, waarschuwt ze in
‘Shangri La’, en inderdaad: daarrond ontvouwt zich een song die
verschillende invloeden en ritmes combineert tot een geheel dat je
meteen bij de kraag vat. Luister maar hoe de vioolpartijen de
rustpartijen inlassen, maar tegelijkertijd in de orgelpunten voor
extra dreiging zorgen. Nog frisser klinkt afsluiter ‘Yesterday’,
een experiment waarbij Trent Reznor en
Massive Attack tegelijkertijd achter de knoppen leken te
zitten.

Het is moeilijk een typisch geluid aan de naam Martina Topley Bird
vast te plakken. De intertekstuele ziel zal gaarne een waslijst
aanknooppunten bij elke song bovenhalen, maar rond de kwaliteit van
het materiaal valt niet heen te praten. “This heart of mine,
you’re gonna own”
horen we haar zingen; woorden die na het
beluisteren van deze plaat ongetwijfeld ook uit de mond van vele
connoisseurs zullen rollen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + twaalf =