Things We Lost in the Fire




119

‘Things We Lost in the Fire’ is een film met heel wat
potsierlijke scènes, maar één van de ultieme kleppers komt ongeveer
halverwege. Halle Berry vraagt aan Benicio Del Toro om bij haar in
bed te komen liggen. Niet om vuile manieren te doen (was het maar
waar), maar gewoon omdat ze niet kan slapen. Met een blik alsof hij
een stout jongetje is dat van zijn moeder een straf krijgt die hij
simpelweg niet begrijpt, kruipt Del Toro in bed. Berry slaat als
een volleerde balletdanseres één been om hem heen, gaat met haar
hoofd op zijn borst liggen en zegt vervolgens dat hij aan haar
oorlel moet trekken. “Een beetje harder, een beetje sneller.” En zo
valt ze dan in slaap. Wat regisseur Susanne Bier met die scène voor
ogen had, was allicht een mooi, betekenisvol moment, zwanger van
een voor de hand liggende symboliek. Waar ze mee eindigt, is echter
een bad laugh, een ongewild komisch moment. En het blijft
niet bij die ene scène. Bier, de Deense cineaste die enkele jaren
geleden matig uit de hoek kwam met het melodrama ‘Brothers’ en daarna
‘After the
Wedding’
, krijgt hier haar eerste Amerikaanse project voor de
kiezen, en samen met haar budget nemen ook de gebreken van haar
vorige films exponentieel in omvang toe. Waar ‘Brothers’ regelmatig
naar de pathetiek neigde, zit ‘Things We Lost in the Fire’ vrijwel
constant over die grens heen. Waar Biers vorige films af en toe
ongeloofwaardig waren, zit er in ‘Things We Lost in the Fire’ geen
enkel oprecht moment.

Het verhaal begint wanneer Brian Burke (David Duchovny), een
welgestelde projectontwikkelaar, op een avond wordt doodgeschoten
aan een nachtwinkel. Zijn vrouw Audrey (Halle Berry) blijft alleen
achter met twee kinderen en hoewel ze financieel geen zorgen heeft,
blijft het vanzelfsprekend moeilijk om de draad van haar leven weer
op te pikken. Na de begrafenis komt ze opnieuw in contact met Jerry
(Benicio Del Toro), een jeugdvriend van Brian die ooit een
succesvol advocaat was, maar sindsdien verslaafd werd aan heroïne
en zo aan lager wal raakte. Brian was de laatste vriend die Jerry
nog over hield van vroeger. Om redenen die de film nooit helemaal
geloofwaardig weet te maken, nodigt Audrey Jerry uit om te logeren
in haar half tot een flat omgebouwde garage. In de loop van de
maanden die volgen, leren ze elkaar langzaam maar zeker waarderen
en weten ze hun demonen op afstand te houden.

Voor haar Engelstalig debuut heeft Bier duidelijk “een
Iñàrrituke” willen doen. In navolging van de regisseur van
loodzware drama’s als ’21 Grams’ en ‘Babel’, heeft Bier
immers een diepgaand noodlotsdrama willen construeren over
gewichtige thema’s als de dood en het verwerken daarvan,
jeugdtrauma’s en de noodzaak om het verleden los te laten. Alle
oppervlakkige elementen zijn aanwezig: het verhaal is zo
deprimerend als de pest, de thema’s zijn allemaal afkomstig uit het
boekje “existentialisme voor dummies”, de chronologie van de film
wordt (zeker tijdens het eerste uur) danig overhoop gegooid en de
visuele stijl is bibberig, met een epidemisch gebruik van
close-ups. Ja hoor, ambitie heeft Bier genoeg.

Het enige dat ze echter niet kan faken, is het talent van
Iñàrritu. De oppervlakkige gelijkenissen tussen ‘Things We Lost in
the Fire’ en het werk van de mistroostige Mexicaan zijn precies
dat: oppervlakkig. Zodra je naar inhoud begint te zoeken, blijkt
echter al snel dat de genuanceerde, diep menselijke scenario’s van
Iñàrritu hier plaats moeten maken voor clichés en ééndimensionele
karakteriseringen. Geen enkel personage in deze film heeft meer te
bieden dan wat er op het eerste gezicht al duidelijk wordt. Brian
is, zoals we hem leren kennen in de flash-backs, niet meer of
minder dan een heilige. Hij was goed in zijn job, een liefdevolle
echtgenoot, een toffe vader en in zijn vrije tijd een beschermer
van weduwen en wezen (zoals blijkt uit de omstandigheden van zijn
dood). Nergens komt er een reëel mens uit die portrettering
tevoorschijn. Hij is perfect, punt uit. Op een gelijkaardige manier
krijgt ook Halle Berry als Audrey maar weinig werk te doen. Zij
wordt immers van a tot z gedefinieerd door haar rouw. Haar rol
bestaat uit de simpele functie triestig te zijn om de dood van haar
man. Meer kan ze niet en is ze niet. De enige die een heel klein
beetje nuance meekrijgt, is Benicio Del Toro als Jerry, een man
wiens intelligentie nog steeds af en toe tevoorschijn weet te komen
van onder zijn permanente verdwazing. Maar ook dat mag eigenlijk
geen naam hebben: de manier waarop Del Toro het speelt, suggereert
regelmatig een gevoel voor humor en menselijkheid die niet in het
scenario aanwezig waren – de acteur maakt er meer van dan wat het
is.

Waar dat scenario voornamelijk in geïnteresseerd is, is in het
opstapelen van miserie op miserie, allicht in de hoop om
intelligent of diepzinnig over te komen. Maar door je personages
verschrikkelijke dingen te laten overkomen, zég je in beginsel
eigenlijk niks. Het hangt er allemaal maar van af wat je over die
verschrikkelijke dingen te melden hebt. Een personage dat sterft
aan kanker is melodrama. Een personage dat sterft aan kanker en
zich daardoor iets wezenlijks realiseert over het leven, dàt is
diepzinnig. En dat is in feite het onderscheid tussen een
tv-weekendfilm en een sterk drama. Scenarist Allan Loeb blijft hier
steken in die eerste categorie. Echtgenoten sterven, mensen zitten
aan de drugs en hun omgeving moet er maar mee leren leven. Maar
welk punt hebben Loeb en Bier daarmee te maken? Dat het niet
plezierig is als je man/vader/beste vriend plots sterft? Dat is dan
genoteerd. Dat gebrek aan een pointe verhindert niet dat de makers
hun film vol proppen met voor de hand liggende symbolen: het
zwembad dat van binnenuit verlicht is (David Duchovny tegen zijn
zoontje: “jij bent óók van binnenuit verlicht!”), Halle Berry die
met haar trouwring speelt, een glas melk dat op precies het juiste
moment kapot valt… Bier is schijnbaar nog nooit een symbool
tegengekomen dat ze niet wilde gebruiken, of het haar film nu
vooruit helpt of niet.

Gekoppeld daaraan, krijgen we een ergerlijke visuele stijl,
waarin een handgehouden camera de personages continu dicht op de
huid zit (opnieuw een metaforische keuze, ongetwijfeld – Bier neemt
alléén maar metaforische keuzes, lijkt het wel) en waarin heelder
scènes worden geconstrueerd aan de hand van close-ups. Vooral
close-ups van ogen zijn schijnbaar ongelooflijk populair bij de
gemiddelde Deense, naar Amerika uitgeweken cineaste. Na een tijdje
krijg je zin om haar gewoon te zeggen dat ze ook normaal mag doen
met haar camera.

‘Things We Lost in the Fire’ is een film die erg overtuigd is
van zijn eigen diepgang. Elke seconde ervan schreeuwt uit: “kijk
eens hoe betekenisvol dit allemaal wel is!”. Niet echt. Iets
tragisch laten zien in je film is nog niet hetzelfde als er iets
zinnigs over melden – al zeker niet als dat gebeurt in een prent
die ook nog eens veel te lang is (goeie God, wat kunnen twee uur
lang duren!). Conclusie: er draaien zoveel goeie films momenteel,
dat het doodzonde zou zijn om je tijd te verdoen aan dit
(nauwelijks) veredeld jankfestijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 1 =