I Am Legend




Meestal is het niet zo moeilijk om uit een debuutfilm af te
leiden welke regisseurs interessant zijn om in het oog te houden en
welke niet. ‘t Is allemaal een kwestie van originaliteit en passie,
veronderstel ik – voel je aan dat dit iemand is die films wilt
maken, of is het iemand die z’n kost wilt verdienen? Kijk naar
‘Hard Eight’ van
Paul Thomas Anderson en je merkt binnen de vijf minuten dat je met
iemand te maken hebt die het menens is, die een ei te leggen heeft.
Kijk naar ‘Money Talks’ van Brett Ratner (die van ‘Rush Hour’)
en… wel… je begrijpt het concept. In het geval van Francis
Lawrence, een videoclipregisseur die enkele jaren geleden voor het
eerst onze schermen teisterde met ‘Constantine’, had ik maar weinig
hoop. Die bizarre Keanu Reeves-fantasyhorror (een mens moet het
tenslotte een naam geven) had hier en daar wel een lollig momentje,
maar hoorde voor de rest thuis in het vuilnisblik van de
filmgeschiedenis. Lawrence stond alvast met stip op m’n shit
list
genoteerd, maar misschien dat ik hem daar na ‘I Am
Legend’ toch maar eens af moet halen. Deze zwaar gehypete
apocalyptische thriller is immers de eerste fatsoenlijke
blockbuster van deze kerstperiode – een onderhoudende,
soms verrassend spannende zombiefilm meets vampierenfilm
meets Will Smith in een onderlijveke dat zijn
spieren goed in de verf zet.

Het verhaal begint in 2009, met de uitvinding van een
wondermiddel tegen kanker. Aanvankelijk lijkt het nieuwe medicijn
de meest spectaculaire vondst sinds warme chocolademelk met
slagroom, maar al gauw blijkt dat er verschrikkelijke neveneffecten
aan verbonden zijn. Er verspreidt zich een virus dat binnen de drie
jaar tijd de gehele mensheid uitroeit. De slachtoffers van de
ziekte die er niet aan sterven, veranderen in bloeddorstige
zombies, die allergisch zijn aan daglicht. Slechts één man, dokter
Robert Neville (Will Smith), is immuun – hij werkt aan een
geneesmiddel in zijn versterkte flat, waar hij zich elke nacht
binnen barricadeert om de vrije uren van de zombies uit te
zitten.

Dat verhaal werd gebaseerd op een boek van Richard Matheson, dat
al twee keer eerder werd verfilmd; eerst als ‘The Last Man On
Earth’ in 1964, en in ’71 nog eens als ‘The Omega Man’, met
Charlton damn you all to Heston. De kracht ervan ligt in
z’n eenvoud – het hele gegeven is zo high concept als het
maar kan zijn. Je kunt in essentie de hele film samenvatten in de
eenvoudige pitch line: “de laatste man op aarde vecht
tegen zombies”. Meer dan dat is het niet, maar die extreme
rechtlijnigheid van het verhaal (weinig grote plotwendingen, weinig
personages) laat Francis Lawrence toe om binnen die oersimpele
premisse te beginnen spelen met suspensescènes. Hij hoeft er zich
geen zorgen over te maken om een complex verhaal verteld te
krijgen, er zijn geen grote dialoogscènes waarin er van alles en
nog wat duidelijk gemaakt moet worden en zelfs van relaties tussen
verschillende personages is nauwelijks sprake. Het concept van ‘I
Am Legend’ is zo minimalistisch, maar toch zo fascinerend, dat het
voldoende is om daar anderhalf uur lang variaties op te
bedenken.

In die zin doet de film sterk denken aan ’28 Days Later’ – het
idee van een virus dat mensen in zombies verandert is aanwezig,
evenals dat van een handvol overlevenden, hier gereduceerd tot één
man, die zich moet zien te redden. Ook die film was bijzonder sterk
zo lang de makers het eenvoudig hielden en zich concentreerden op
de overlevingsstrijd van de hoofdpersonages. Toen daar in het
laatste derde van het verhaal van afgeweken werd, verloor de film
z’n kracht. In ‘I Am Legend’ wordt die fout in mindere mate
herhaald – ook hier krijgen we aan het einde een aantal
plotwendingen die de spankracht uit de prent halen – maar de
extreme over the top waanzin van ’28 Days Later’ blijft
gelukkig ver af.

Lawrence scoort goede punten door spaarzaam om te gaan met zijn
zombies. We krijgen de creaturen al bij al niet zo heel vaak te
zien, en echte actiescènes zijn kort. Lawrence wil eerder een sfeer
creëren, het gevoel tot leven wekken dat ze op elk moment van
achter die hoek daar tevoorschijn kunnen komen, met hun asgrijze
kleur en hun fascinerende huidziektes. Naar de huidige normen van
Michael Bay-bombast, waarin elke actiefilm minstens twee uur en
tien minuten moet duren en vier of vijf climaxen moet hebben, is ‘I
Am Legend’ zelfs opvallend ingehouden. Met een zuinige speelduur
van 100 minuten en een finale die voorbij is voor je het weet,
profileert de film zich als een exemplaar dat werd gemaakt volgens
het motto: always leave them hungry, in plaats van:
meer is niet genoeg. De kans bestaat zelfs dat sommige
mensen lichtjes teleurgesteld naar huis zullen gaan omdat ze niet
genoeg actie hebben gekregen, maar ik was al lang blij dat we nog
eens een blockbuster hebben die durft te rekenen op suspense, in
plaats van op knal-bang-boem (hoewel dat laatste er op tijd en
stond óók bij komt kijken, natuurlijk).

Twee van die suspensesequenties steken er met kop en schouders
bovenuit: één waarin Smith in een donker gebouw zijn hond gaat
zoeken, en één waarin hij zichzelf, na een wonde aan zijn been te
hebben opgelopen, in zijn auto probeert te heisen terwijl de
monsters dichterbij komen. Typisch aan beide scènes is dat de
monsters er maar eventjes in te zien zijn – waar het om gaat, is de
reactie van Smith op wat hij ziet en beleeft, zijn angst. En dus
krijgen we erg vaak close-ups van de acteur, die de verbeelding van
het publiek verder het werk laten doen. Slimme zet – dichtgeknepen
billen en gekromde vingers zullen uw deel zijn.

Will Smith krijgt hier in principe een one man show te
spelen – tijdens drie vierde van de film loopt hij alleen rond,
enkel vergezeld door z’n hond. Dat Smith een film kan dragen met
zijn typische ‘Men In Black’ I will knock yo’ punk-ass
down!-
pose wisten we al langer, en van tijd tot tijd zien we
dat imago ook terugkomen (Smith die een bataljon zombies omver
rijdt met zijn 4×4 terwijl hij uitschreeuwt: “DIEEEEE!”,
dolletjes!). Maar hier en daar weet hij een oprecht emotioneel
moment tot leven te wekken, waar zijn eenzaamheid en verlatenheid
uit spreekt, en ook dàn blijft hij geloofwaardig. Een scène waarin
Smith huilend aan een etalagepop vraagt om alstublieft hallo tegen
hem te zeggen, had genant kunnen zijn, maar het wérkt.

Vanzelfsprekend is ‘I Am Legend’ geen filosofisch traktaat over
de psychologische gevolgen van absolute eenzaamheid – mensen die
daarover wensen te zeuren (en die mensen zijn er, als je de
buitenlandse pers er eens op naslaat) hadden op voorhand al kunnen
weten dat ze in de verkeerde zaal zaten. Maar het is wel een
uitstekende blockbuster, die ons voor de verandering eens
niet murw slaat met overdonderend geweld. Het einde is een beetje
een teleurstelling, omdat ze te betuttelend lijkt in vergelijking
met het voorgaande, en wie daar zin in heeft, kan hier en daar best
wel een paar praktische bezwaren aanbrengen (elektriciteit en
stromend water in een wereld die al drie jaar onbewoond is?). Maar
who cares? Dit is mainstream vermaak zoals het gedaan moet
worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × twee =