Three Kings

Elke kogel komt hard aan en geen enkele daad van geweld blijft
zonder gevolgen in ‘Three Kings’, de doorbraakfilm van David
O’Russell. O’Russell had voordien twee half succesvolle zwarte
komedies gemaakt, ‘Spanking the Monkey’ en ‘Flirting With
Disaster’, maar het was pas met deze film dat hij zich liet
opmerken als mogelijk een groot talent. Niet dat hij er echt op zou
kunnen incasseren; het duurde nog eens vijf jaar vooraleer hij zijn
volgende klaar had, en toen was dat ‘I Heart Huckabees’, een
prent die zó bizar was dat niemand wist wat ermee aan te vangen.
‘Three Kings’ blijft vooralsnog dan ook het hoogtepunt in zijn
carrière: een film die vandaag waarschijnlijk nog veel
enthousiaster zou worden onthaald dan toen hij gemaakt werd, omdat
het nu algemeen geaccepteerd is om kritische maar onderhoudende
films te maken over de Amerikaanse aanwezigheid in het
Midden-Oosten. O’Russell maakte er een eerlijke, soms hilarische,
soms gruwelijke satire van die tegenwoordig relevanter is dan
ooit.

Begin jaren negentig. De eerste Golfoorlog is net afgelopen en
de Amerikaanse troepen, waarvan de meeste nooit een schot hebben
moeten afvuren, houden zich voornamelijk bezig met het verzorgen
van gevangenen en het organiseren van feestjes in hun tenten.
Totdat de niet bijster intelligente soldaat Conrad Vig (Spike
Jonze) van een gevangen genomen Irakees een kaart afpakt met daarop
de locatie van enkele bunkers waarin gestolen goud ligt van de
Kuweitis. Samen met zijn maat Elgin (Ice Cube), zijn directe
overste Troy Barlow (Mark Wahlberg) en de cynische majoor Archie
Gates (George Clooney), gaat Vig op zoek naar dat goud. Wat begint
als een nauwelijks verholen plundertocht, draait echter helemaal
anders uit wanneer de soldaten in het dorpje waar de bunkers onder
liggen, de echte situatie in Irak leren kennen. De burgers die door
George Bush Sr werden opgeroepen om in opstand te komen tegen
Saddam Hussein, worden nu door de Amerikanen in de steek gelaten en
systematisch afgeslacht. Gates en co moeten nu kiezen tussen het
goud pakken en wegwezen, of de inwoners van het dorpje redden van
een zekere dood.

Tijdens de voorbije drie jaar zijn films als ‘Three Kings’ vrij
courant geworden. Met het steeds verder aanslepen van Iraq: the
Sequel
vinden alsmaar meer schrijvers en regisseurs de moed om
een kritische stem te laten horen over wat de VS in het
Midden-Oosten aan het doen is en waarom. In ’99 daarentegen,
scoorde ‘Three Kings’ althans financieel niet zo geweldig omdat
niemand dit soort cinema gewend was en niemand er echt op zat te
wachten. Clinton zat in het Witte Huis, de economie draaide
behoorlijk, Amerika was niet betrokken in grootschalige conflicten
in het buitenland… Het land draaide naar behoren – je weet dat
een volk niet veel belangrijke dingen heeft om van wakker te liggen
als hun grootste zorg is of hun president een blowjob
heeft gekregen van een stagiaire. Op zulke momenten in de
geschiedenis zit je niet te wachten op een film die je met je neus
op politieke feiten drukt die je al bijna tien jaar lang probeert
te vergeten. Maar dat is wat ‘Three Kings’ deed: de film levert een
scherpe observatie van hoe de oorlog in elkaar zat en hoe de mensen
zich gedroegen.

Een centraal idee in de film is het gegeven van cultureel
overgewicht: waar een Amerikaan ook gaat, altijd brengt hij Amerika
met zich mee. Laat staan als je daar met een half miljoen
Amerikanen zit. Ze brengen hun muziek mee, ze spelen football, ze
hangen popjes van Bart Simpson aan de achteruitkijkspiegel van hun
jeeps en ze verwachten zelfs middenin de woestijn dat elke Irakees
die ze tegenkomen Engels spreekt. Let op een scène aan het begin
van de film, waarin Mark Wahlberg de gevangenen instructies geeft
voor wat ze moeten doen. Het is duidelijk dat hij een boekje
napraat, in keurig geformuleerde zinnetjes: Sir, I’m gonna need
you to disrobe.
Alsof hij een veiligheidsagent is op een
luchthaven. Hij reageert geërgerd wanneer de gevangenen hem niet
verstaan – hij vrààgt het tenslotte toch vriendelijk?

Je ziet het ook in de manier waarop de Irakezen erbij lopen.
Overal – in het dorpje, in de bunkers, in het hoofdkwartier van de
Irakese militairen – vind je overblijfselen van de Amerikaanse
cultuur. Op een bepaald moment wordt Mark Walhberg gevangen genomen
en opgesloten in een kamer die vol ligt met cd’s met Engelstalige
muziek, draagbare telefoons (toen nog een nieuwigheid) en andere
elektronische gadgets. Het eerste dat zijn ondervrager (een
schitterende Saïd Taghmaoui, één van de jonge gasten uit ‘La Haine’) hem vraagt
is: What is the problem with Michael Jackson? Voordat
Amerikanen een land militair overnemen, nemen ze het eerst
cultureel over.

En die observaties, scherp en raak als ze zijn, passen dan in
een ruimere kritiek die meer voor de hand ligt: de VS viel Irak
binnen om Kuweit te beschermen, enkel om vervolgens weer razendsnel
hun spreekwoordelijke schup af te kuisen en de Irakezen in de steek
te laten. Het was een mediaoorlog, waarin de uiterlijke schijn van
een heldhaftig gevecht voor vrijheid belangrijker was dan reële
resultaten. Wat ze ook deden, het moest er goed uitzien op CNN. De
aanwezigheid en de macht van de media wordt uitgebreid in de kijker
gezet via het personage Adriana Cruz (Nora Dunn), een waanzinnig
ambitieuze journaliste die schijnbaar moeiteloos de hele militaire
top om haar vinger windt. En waarom ook niet – de manier waarop zij
verslag uitbrengt, bepaalt immers hoe de rest van de wereld het
Amerikaanse leger bekijkt.

O’Russell verpakte die politieke boodschap in een film die van
begin tot eind volzit met actie (de ontploffende koe is een
absoluut hoogtepunt) en bijgevolg ook toegankelijk is voor mensen
die in de eerste plaats entertainment verwachten. Hij gebruikte een
speciaal procédé waardoor de film werd afgebleekt, en het resultaat
is dat de hele film er overblicht uitziet – ongeveer het effect dat
je hebt wanneer je in een woestijnklimaat over een strand uitkijkt
en het zand weerkaatst het licht. De regisseur is ook erg nauwgezet
in de manier waarop hij geweld in beeld brengt: hij gebruikt slow
motion shots om kogels te kunnen volgen tot op het punt van impact
en geeft ons zelfs een blikje binnenin het lichaam van mensen die
net zijn neergeschoten (het pijnlijkste moment in de film is een
beeld van een dichtklappende long met een kogelgaatje erin). ‘Three
Kings’ is een opwindende actiefilm, maar wel één waarin elke
gewelddaad zijn gevolgen heeft.

George Clooney was rond deze periode de overstap aan het maken
van tv (met ‘ER’) naar de cinema. Aanvankelijk deed hij dat met de
voorspelbare Hollywoodrommel (nog ‘One Fine Day’, iemand?), maar na
het ‘Batman & Robin’-fiasco zwoor hij om alleen nog films te
maken waar hij zelf achter kon staan. En hij hield woord. ‘Three
Kings’ is de tweede film uit dat nieuwe elan, na ‘Out of Sight’.
Het zou een voorbode blijken te zijn van de richting die zijn
carrière uit zou gaan tijdens de volgende tien jaar. Mark Wahlberg
was zich ook volop aan het profileren als ernstig acteur – hij had
kort daarvoor ‘Boogie
Nights’
gemaakt, en bevestigde hier dat hij wel degelijk
dramatische rollen aankon. Spike Jonze zou na ‘Three Kings’ vooral
regisseren (‘Being John Malkovich’ kwam hetzelfde jaar uit), maar
overtuigt hier moeiteloos als hillbillie. Zelfs Ice Cube
zet een knappe prestatie neer.

‘Three Kings’ was eigenlijk z’n tijd zo’n zeven of acht jaar
vooruit. In het huidige klimaat zou de film wellicht heel wat meer
brokken maken. Maar het blijft sowieso een uitdagend stukje
“middelvinger-cinema”; een film die iets te vertellen heeft en dat
op een schitterende manier doet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − 5 =