Sicko





123 min. /
USA / 2007

Het is niet veel mensen gegeven om te kunnen zeggen dat ze een
genre opnieuw hebben uitgevonden, maar Michael Moore – love him
or hate him –
heeft wel precies dat gedaan. De golf recente
documentaires die onze bioscoopzalen regelmatig overspoelt, van
‘Super Size Me’
over ‘An
Inconvenient Truth’
tot ‘Shut Up & Sing’,
heeft veel te maken met de manier waarop Moore het stof van die
filmvorm heeft weggeblazen. Docu’s waren plots weer hip,
entertainend en bovenal spraakmakend: Moore kon nauwelijks zijn
huis uitkomen of conservatief rechts stond collectief te
schuimbekken van woede, terwijl liberaal links tevreden was dat ze
er een stevige spokesperson bij hadden. Zijn films
verwarren met gefundeerde journalistiek zou een enorme vergissing
zijn – Moore’s bevindingen zijn bevooroordeeld, zijn
montagetechnieken manipulatief, zijn conclusies selectief – maar
als er iemand een politiek vuurtje kan stoken, dan is hij het wel.
Dat soort mensen heb je nodig, zeker als ze en passant ook
nog eens goede cinema maken.

Rond ‘Sicko’, zijn laatste wapenfeit, bleef het relatief gezien
nog rustig. Moore pakt ditmaal de ziekteverzorging in de VS aan,
een systeem dat zodanig fout zit dat je maar weinig mensen bereid
vindt om het te verdedigen (en voor zover die te vinden zijn, is
Moore er de regisseur niet naar om ze aan het woord te laten). 50
miljoen Amerikanen hebben geen ziekteverzekering, stelt hij vast
aan het begin van zijn film, maar zelfs als je wél bij de
gelukkigen bent, wilt dat nog niet zeggen dat je bankrekening een
bezoekje aan het hospitaal overleeft. Verzekeringsmaatschappijen
willen immers in de eerste plaats winst maken, en dat leidt tot
wanpraktijken die je nauwelijks voor mogelijk houdt: zelfs de meest
wijdverspreide therapieën worden plotseling als “experimenteel”
bestempeld opdat ze niet gedekt zouden moeten worden (een
hersentumor verwijderen – zelf betalen), polissen worden afgekeurd
omdat vakjes niet helemaal ingevuld zijn en de werknemers van de
verzekeraars maken carrière gebaseerd op hun succes in het
afwimpelen van claims.

Het gevolg is natuurlijk dat er levens verloren gaan. Een goede
ziekteverzorging is alleen beschikbaar voor wie het zich kan
permitteren – alle anderen kunnen alleen maar bidden dat ze gezond
blijven. Niet evident, aangezien het feit dat je ooit oud en ziek
zult worden, één van de weinige zekerheden is die je hebt in het
leven. Het idee van een algemene ziekteverzekering, zoals dat van
kracht is in de meeste landen van de westerse wereld, wordt van
overheidswege voorgesteld als socialisme – en iedereen weet dat
socialisme slechts een verkapte term is voor communisme. Betaal
iedereen z’n ziektekosten terug en voor je het weet zit je in
Sovjet-Rusland. (Moore last een hilarische sequens in waarin we een
plaat uit de jaren 50 horen, met Ronald Reagan die als een brave
nonkel de lof van het Amerikaanse systeem zingt.)

Tijdens de tweede helft van zijn film vergelijkt Moore de
Amerikaanse ziekteverzorging met die in het buitenland, waar de
gevreesde socialized medicine effectief van kracht is. Hij
trekt naar Canada, Engeland en Frankrijk, waar iedereen gratis
verzorging kan krijgen en goedkope medicijnen. Sterker nog, dankzij
het Franse equivalent van de dienstencheque kan een huismoeder in
Parijs zelfs haar was laten doen op kosten van de regering, een
concept dat Moore met (weliswaar nogal slecht geacteerde)
verstomming slaat. Die vergelijking is een nogal teer punt:
enerzijds is het inderdaad zo dat ze je bij ons nooit naar je
verzekeringsbewijs zullen vragen vooraleer ze je in een ambulance
rollen, wat met een Amerikaanse vrouw in ‘Sicko’ wél is gebeurd.
Maar anderzijds toont Moore ons – toch zeker in Engeland en
Frankrijk – uitsluitend mensen uit de hogere middenklasse, om ze
vervolgens te presenteren als de doorsnee Jan Modaal. Neem nu een
sequens in Parijs: we zien een koppel dat gezamenlijk tussen de 6-
en de 8.000 euro per maand verdient. Ze wonen in een mooie flat,
hebben twee auto’s, genieten van een goed glas wijn op z’n tijd,
hebben een werkvrouw en hoeven zich nooit de vraag te stellen wat
er financieel met hen zal gebeuren als één van hen ziek wordt. En
hun verhaal hangt Michael Moore dan op als dat van “de Fransman”.
Tja, daar heeft hij niet mee gelogen, maar wat als hij een paar
kilometer verderop was gaan filmen in de banlieus? Wat als
hij in Londen was gaan babbelen met één van de bums die je
er in elke drukke straat kunt aantreffen, in plaats van met een
dokter met een dure slee onder z’n kont? Het probleem is niet dat
Moore ongelijk heeft – ik geloof niet dat iemand in Frankrijk (of
België, trouwens) ooit zou willen ruilen met de Amerikanen – maar
dat hij z’n betoog zodanig zwart-wit voorstelt, dat het aan
geloofwaardigheid inboet.

De meest controversiële scène uit de hele film is daar ook een
goed voorbeeld van: Moore komt er achter dat een aantal van de
“helden van 9/11”, New Yorkse brandweermannen, tegenwoordig in de
steek worden gelaten door hun ziekteverzekering. Hij besluit hen
mee te nemen naar, of all places, Guantanamo Bay, waar de
gevangenen wél gratis verzorging krijgen. De enige plek op
Amerikaanse bodem waar dat het geval is. Niet geheel verrassend
jagen ze hem daar weg, zodat Moore dan maar Cuba zelf intrekt, een
land waar ze wél socialized medicine hebben. Hij gaat met
de brandweerlui naar een schijnbaar willekeurig ziekenhuis en laat
hen daar onderzoeken. Het kost hen geen cent – de grote boeman,
communistisch Cuba, zit blijkbaar meer in met z’n burgers dan het
vrije Amerika. Je kunt niet ontkennen dat het punt duidelijk is,
maar hoe manipulatief is die situatie? Stel dat je een Cubaan bent,
en één van de meest roemruchte critici van het Amerikaanse systeem
komt bij je filmen – dan zou je toch ook de rode loper
uitleggen?

Moore heeft dat soort dingen natuurlijk altijd al gedaan, ook in
‘Fahrenheit
9/11’
, nochtans één van de meest relevante films sinds de
eeuwwisseling. Maar ditmaal kan hij de mechanismen van zijn
gesjoemel met de werkelijkheid minder goed verbergen, en bovendien
kan hij zich ook veel minder beroepen op het argument dat hij een
filmisch opiniestuk aan het maken is. In ‘Fahrenheit 9/11’ gaf hij
uiting aan een politieke overtuiging, gebaseerd op een aantal
argumenten zoals hij die zag en fair enough. Hier,
daarentegen, zijn de gebreken van het Amerikaanse systeem nauwelijk
stof voor controverse – en in dat geval wordt intellectuele
eerlijkheid ook belangrijker.

Als film werkt ‘Sicko’ nog steeds erg goed. Moore weet hoe hij
moet monteren, hoe hij humor en muziek moet gebruiken om een film
te doen swingen. Er zit leven in, de film is engagerend en
let’s face it, als puntje bij paaltje komt heeft hij
natuurlijk wel gelijk dat er veranderingen nodig zijn. Maar zijn
methodes zijn niet alleen dodgier dan ooit, ze zijn ook
doorzichtiger dan ooit. Met het eerste zou ik nog kunnen leven, met
het tweede niet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 3 =