Nederjazz Connection, Pt. 4 :: Michael Moore / Ramboy

Door zijn ingetogen stijl zie je ‘t snel over het hoofd, maar rietblazer Michael Moore blijft een van de sleutelspelers van de Nederlandse jazz en improvisatie. Zijn veelzijdigheid en meesterschap – als componist, arrangeur, bandleider en improvisator – bewees hij een tijd geleden nog met drie fraaie releases op zijn eigen Ramboy-label.

The NDR Bigband with Michael Moore – Sanctuary

Op de drie dozijn releases die Moore intussen uitbracht via Ramboy hoor je vooral kleinere bezettingen, van trio’s tot kwintetten, maar natuurlijk heeft de man ook ervaring met grotere ensembles. Zo organiseerde hij ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag nog een 8-koppig Bigtet, hoorde je ‘m onlangs met het Xavier Pamplona Sextet, en dan is er natuurlijk het ICP Orchestra, een tentet dat regelmatig in de weer is met extra gasten, zoals op hun recentste worp, De Hondemepper. Maar een echte Bigband is natuurlijk nog wat anders. Een uitnodiging door de 18-koppige Hamburgse NDR Bigband laten schieten was geen optie. In januari van 2019 kwam de bende een week samen voor repetities, opnames en performances, met Sanctuary als resultaat.

In plaats van te werken met een nieuw repertoire koos Moore ervoor om eigen materiaal te recycleren. De meerderheid van de composities verscheen op eerdere Ramboy-releases, sommige uit het vorige millennium. Twee arrangementen bestonden al, de rest was op maat van dit project. Het resultaat is wat grootser opgevat dan de doorsnee releases (wat wil je, met naast de leider nog dertien blazers), maar getuigt al net zozeer van Moore’s veelzijdigheid. Overweldigend ensemblespel hoor je hier trouwens zelden, het is niet dat soort plaat. Veeleer dan in te zetten op collectieve kracht, bonkende swing en bombast, maakt Moore vooral gebruik van dynamische mogelijkheden, variatie in klankkleur en stijl.

Er gaapt zo een behoorlijke afstand tussen de Stravinsky-hommage “Igor” (dat een pak meer vrijheid toelaat dan een gemiddelde orkest-performance), het sepiakleurige “Trouble House” (een prachtig ontluikend stukje Americana) en “Fogo von Slack”, dat Moore ooit schreef voor een blazerskwintet, maar hier sereen uitgevoerd wordt door een klarinettrio. De medley waarmee geopend wordt, “Sweet-Briar/Southwesterly”, was oorspronkelijk geschreven voor Moore’s Fragile Quartet en krijgt hier een toepasselijk genuanceerde uitvoering, terwijl “Anomalous Soul”, ooit nog opgenomen door Moore met Fred Hersch en Mark Helias, ook hier innig samenspel van klarinet, piano en bas in de kijker zet.

De fijnbesnaarde arrangementen neigen soms haast naar de klassieke wereld, maar blijven ook verrassen. Zo breekt Sandra Hempels gitaar “Brunheiras” stekelig open, wordt er in “Providence” lekker uitvoerig gesoleerd zonder er zo’n klassieke bigband-parade van te maken en gaat het titelnummer, een stuk voor Moore’s moeder, uiteindelijk mikken op de heupen, met de leider die de ronkende basklarinet nog eens ter hand neemt. Moore & co. blijven op smaakvol en elegant terrein, maar dan zonder de steriele interactie of pompeuze kitsch die daar vaak bij komt kijken. Je hoort het spelplezier, ook al is het dan van een heel andere soort dan de Hollandse anarchie. Mooie bonus: achter de drumkit zit niemand anders dan Tom Rainey.

Michael Moore Fragile Quartet – Cretan Dialogues

Moore’s Fragile Quartet startte in 2007 door het bij elkaar brengen van twee generaties uit twee continenten. Enerzijds had je Moore en collega-expat Michael Vatcher (drums), en daarnaast jongelingen Harmen Fraanje (piano) en Clemens van der Feen (bas), muzikanten met een heel andere achtergrond, maar wel de souplesse om aan de slag te gaan met de schetsen van de leider. Binnen het Fragile Quartet, waarin Vatcher nu vervangen werd door meester Gerry Hemingway, een oude bekende, wordt doorgaans gemusiceerd op meer ingetogen terrein, maar dan wel met een forse portie vrijheid. De composities zijn vaak beknopt en/of eenvoudig en krijgen gaandeweg meer uitwerking. Of zoals een tekstflard in het artwork samenvat: “You travel, you get ideas. A time, a place, and unsolicited information coming in. Flesh it out, give it to the musicians and there you have it.”

De ideeën komen spontaan, en met een vergelijkbare openheid worden ze vervolgens uitgewerkt. Moore deed voor deze plaat inspiratie op tijdens een reis naar Kreta, en die krijgt hier gestalte in twee mini-suites en een reeks meer op zichzelf staande composities. De twee “Cretan Dialogues” bestaan elk uit drie delen en laten het kwartet op z’n meest coherent en gestroomlijnd horen. De eerste trio start met een repetitieve ondergrond en fladderende altsax, met Fraanje die zich opnieuw ontpopt tot een van de subtielste pianisten van het moment, met een toucher dat vaak sterker aan de klassiek herinnert dan aan de jazz. Verderop laat Moore de altsax zingen met een delicaat-hunkerende sound.

Parelende piano en pulserende bas starten de tweede trilogie, die melancholisch dobbert op een Mediterrane flair. “Doldrums” en “Leaving Paleochora” zijn uitgedund en samengesteld met uiterst subtiele tinten. Op de rest van het album worden sound, sfeer en aanpak iets meer opengetrokken, kan de muziek bewegen tussen sobere passages die herinneren aan klassieke Jimmy Giuffre-opnames, naar krachtiger interactie. Zo start “Content (for Saul Leiter)” een wispelturige interactie op, die ook terugkeert in het even korte als ongrijpbare “A Little Box Of Jazz”, dat volgestouwd is met muzikale schijnbewegingen. En als “Rola-Turca” even herinnert aan exotisch geschuifel à la ICP, dan verdampt het iele “Slowly, Slowly” terwijl je erop staat te kijken.

Ook nu wordt weer duidelijk dat het Fragile Quartet een bijzondere plaats inneemt, in het oeuvre van Moore, maar ook binnen de Nederlandse jazz. Het gestroomlijnde dat in veel van de muziek zit, gaat steevast samen met een forse dosis vrijheid die ondanks een zachtaardig karakter voldoende pit heeft. Bovendien krijg je hier en daar plaagstootjes uitgedeeld, zodat je je er steeds weer van bewust bent dat je overgeleverd bent aan een band die de teugels in handen heeft en het vermogen om de muziek op elk moment te kunnen transformeren zonder toevlucht te moeten nemen tot opzichtig geharrewar. Alweer een mooie plaat dus, bovendien live opgenomen in Splendor, een culturele vrijplaats die wordt gerund door meer dan 50 muzikanten.

Hemingway, Phillips & Moore – Slips

Ook dit album werd live opgenomen in Splendor (een maand later dan Cretan Dialogues), maar is een heel ander beestje. Kreeg je op de kwartetplaat vooral Moore de componist/bandleider te horen, dan gaat het hier om de improvisator. En daarvoor krijgt hij gezelschap van twee andere uitgeweken Amerikanen. Drummer Gerry Hemingway, die vooral faam verwierf via het legendarische Quartet van Anthony Braxton, speelde voor het eerst met Moore in de late jaren tachtig en is sinds zijn verhuis naar Zwitserland weer vaker in de buurt. Derde man is bassist Barre Phillips, veteraan van vele veldslagen, pionier van de solo performance en een muzikant die speelde met talloze van Moore’s muzikale helden, van Steve Lacy (die eer bewezen wordt via de songtitels) en Jimmy Giuffre tot Ornette Coleman en Paul Bley. Samen gaan deze drie resoluut voor de vrijheid.

In vier stukken, samen goed voor een uur, spelen ze muziek die wortels heeft in de Amerikaanse freejazztraditie, maar hier in evenwicht gehouden met een meer Europees getinte insteek. De drie beheersen de jazztaal dan ook tot in de puntjes, iets dat onvermijdelijk doorsijpelt in hun spel, maar begeven zich ook richting non-idiomatische vrijheid. Doorheen dit geduldige uurtje krijg je een behoorlijk brede staalkaart aangereikt, met momenten van abstract textuuronderzoek, maar ook passages die teren op dwingende repetitiviteit of nu en dan zelfs een verrassend melodieus moment. Hemingway oefent een indrukwekkende controle uit op klankkleur en timbres, en verkiest soms een ultra-rudimentaire aanpak, maar gaat soms ook perfect op met de geïnspireerde Phillips, die zowel met vingerwerk als met de strijkstok imponeert.

Moore belandt zo in een zetel en krijgt de vrijheid om altsax, klarinet, basklarinet en even zelfs bird whistles in te zetten. Soms gebeurt dat met een samenhang en vanzelfsprekendheid die suggereert dat er geplande passages in zitten, maar vermoedelijk is niets minder waar. De drie musiceren vanuit het moment, maar houden duidelijk ook de spanningsboog in het achterhoofd, want je hebt voortdurend het gevoel dat het ergens naartoe gaat. De gemoedelijke ambiance spat van de opnames, maar ook van de spaarzame commentaar tussen de stukken, met het ritualistisch getinte “Slides” als slotstuk van een afwisselende reis langs kamermuziekachtige verfijning, oefeningen in abstractie en momenten waarop alle stukjes plots op hun plaats vallen (hoor eens hoe mooi het album uitdooft).

Geen makkelijk tussendoortje en al helemaal geen robuuste energiestoot, maar een beheerste collectieve exploratie die eigenzinnig ingevuld wordt. En dat heeft het album dan weer gemeen met de twee andere. Bij Moore gaat het er altijd net dat ietsje anders aan toe. Het referentiekader voelt vertrouwd aan, de uitvoering zorgt soms voor een verrassende struikelbeweging. Het houdt ook de luisteraar op z’n qui vive.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + zestien =