All the Invisible Children




Kind zijn is geweldig. Alles is één grote speeltuin,
één grote ontdekkingstocht vol oohs en aaahs. Je hoofdzakelijke
dagtaak bestaat uit je vol kliederen met verf, rekensommetjes maken
met appels en peren, scènes naspelen uit de Turtles of theekransjes
houden met de kat en/of de hond. Je hebt nog geen idee van de
wereldproblematiek die in de hoofden van de volwassenen dwaalt of
van de proeven en moeilijke hindernissen die het leven nog voor je
in petto heeft, of het moest al in de vorm van die nonkel zijn die
soms zo vreemd knipoogt. Althans, zo zou het moeten zijn. Als je
geboren wordt in de verkeerde buitenwijk van de wereld, kun je die
geestesrust echter al snel op je buik schrijven. Kinderen groeien
op in armoede of oorlog en zijn op zichzelf aangewezen om te
overleven. Voor deze kinderen hebben Unicef en het
Wereldvoedselprogramma het filmproject ‘All the Invisible Children’
opgestart, een collage van zeven portretten van kinderen uit alle
uithoeken van de wereld: Burkina Faso, Bosnië, Italië, Schotland,
Brazilië, de Verenigde Staten en China. Zeven kinderen die het
allemaal moeilijk hebben, maar toch proberen om hun eigen weg te
banen door het haaienwereldje dat de volwassenen voor hen hebben
achtergelaten. Kinderen die voor ons meestal onzichtbaar blijven,
verstopt achter een opgetrokken gordijn van schone schijn, komen
hier in de spotlights te staan.

Een Uniceffilm klinkt ongeveer even aantrekkelijk als een
badpakkenspecial met Marc Reynebeau, en de opzet achter de prent is
dan ook klaar, duidelijk en nog geen beetje voorspelbaar: “de
wereld bewust maken van het lot dat sommige kinderen moeten dragen”
is het eufemisme, “de kijker een geweten schoppen en op zijn gemoed
inspelen” staat dichter bij de waarheid. In die opzet is de film
zeker geslaagd, het is moeilijk om onberoerd te blijven bij het
onrecht dat deze kinderen wordt aangedaan. Maar vochtige oogjes of
een kiemend schuldgevoel ten spijt, draait het er toch maar om of
we ook echt iets gezien hebben dat de moeite was. Het antwoord is
typisch bij een anthologyfilm – gedeeltelijk. Dit soort films
blijken immers altijd aan dezelfde kinderziekte te lijden: een
gedeukt evenwicht tussen de verschillende onderdelen. ‘Paris, Je
t’aime’ en ‘Eros’ hadden er ook al last van; hier is het in minder
uitgesproken mate het geval, maar toch verschilt de onderlinge
kwaliteit van de filmpjes behoorlijk. Twee regisseurs springen er
meteen uit, Kusturica en Spike Lee (en eigenlijk ook John Woo): zij
hebben de boodschap het best begrepen en slagen erin om op hun
eigen treffende manier een portret te maken van twee outcasts in de
maatschappij. Ze brengen een pakkend verhaal en geven het best een
volwaardig beeld van het kind en zijn probleemsituatie.

Kusturica komt volkomen tegemoet aan de verwachtingen. Zijn
verhaal over ‘The Blue Gipsy’ bevat alles wat een mini-Emir moet
bevatten: absurde chaos, louche personages, zwierige muziek én
tonnen energie. Op een luchtige toon vertelt hij over het lot van
een jong boefje dat de jeugdgevangenis mag verlaten en verlangt
naar zijn vrijheid, maar ook beseft dat de verleidingen van het
echte leven wel eens te groot voor woorden zouden kunnen zijn.
Kusturica heeft de gave om op een sarcastisch-leutige wijze toch
zijn punt duidelijk te maken, terwijl hij toch zijn eigen stijl
behoudt en entertainment weet te bieden. Zeker het bekijken waard,
al is het louter voor de Michael Jacksonmove (het ongegeneerd
tasten in het kruis) van het kleine zigeunerbroertje.

Ook Spike Lee weet de aandacht van zijn publiek scherp te houden
en levert het ontroerendste van de zeven short stories op.
‘Jesus Children of America’ toont op confronterende wijze hoe er
vandaag wordt omgegaan met de aidsgeneratie. Blanca is
HIV-positief, al weet ze dat zelf niet. Tot haar vriendinnen haar
beginnen te pesten en één van de ouders van haar klasgenootjes haar
vlakaf vraagt hoe het zit. Onmogelijk om niet geraakt te worden
door het lot van dit meisje, dat haar hele leven in één dag ziet
afbrokkelen tot niets.

De verhalen van de Afrikaanse kindsoldaat Tanza (van regisseur
Mehdi Charef), het Italiaanse boefje Ciro (van Veneruso) en twee
Braziliaanse straatkinderen die afval verzamelen om te kunnen
verkopen (van Kátia Lund, mederegisseur van ‘Cidade de Deus’) zijn
allemaal in hetzelfde bedje ziek. Ze leveren een sfeerbeeld van de
wereld waarin de kinderen moeten opgroeien, maar blijven iets te
veel aan de oppervlakte. ‘Ciro’ bevat heel mooie stukken (de
beelden waarin de jongen figuren maakt met de schaduw van zijn
handen, zijn ronduit prachtig), maar er wordt verder niets meer aan
toegevoegd. ‘Tanza’ wil dan weer choqueren door kindsoldaten ruw en
stoer in beeld te brengen, maar dat effect verdwijnt volledig in
een vreemd, afgezwakt einde. Deze drie verhalen weten nergens
voldoende boven de middelmaat uit te stijgen te blijven hangen.

Voor de grote verrassing van de avond zorgt John Woo. De meester
van de spectaculaire vuurgevechten keert 180° van stijl en maakt
met zijn episode ‘Song Song and Little Cat’ bij wijze van spreken
een knieval om een madeliefje van naderbij te bestuderen. Van
in-your-face
geweld naar honingzoet sentiment van het
allerklefste niveau is blijkbaar toch niet zo’n grote stap. Het
verhaaltje, over twee meisjes uit twee verschillende milieus die
door het lot worden samengebracht, kon gewoon niet méér doorspekt
zijn met tedere symboliek. Woo gaat er écht volledig over: zowat
elke slowmotion herbergt een dubbele betekenis, maar toch heeft het
nog iets charmerends. Beslist de prijs voor het hoogste
Unicefgehalte.

De vreemde eend in de bijt is de kortfilm van Jordan Scott en
haar vader Ridley, die iets té hautain ons ervan proberen te
overtuigen dat er diep vanbinnen in het volwassen hoofdpersonage
(een oorlogsfotograaf die een trauma overhoudt aan zijn eigen werk)
nog dat kleine jongetje van vroeger zit. Het verhaal van de Scotts
wordt vanuit het standpunt van een volwassene bekeken en past
daarom niet echt bij de andere verhalen. Ook de sfeer is helemaal
anders. Het is het enige verhaal dat thematisch geen aansluiting
vindt bij de andere. Al bij al trapt ‘All the Invisible Children’
nét niet in de val van een gebrek aan samenhang – buiten ‘Jonathan’
vormt de rest van de filmpjes immers een – weliswaar heterogeen –
geheel. Toch geen volledig weggesmeten pellicule dus, al moet je
ook niet meer verwachten dan wat vingeroefeningetjes van de
regisseurs.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 4 =