The Pursuit of Happyness




117

Will Smith moet zowat de braafste superster
ever zijn. Hij heeft een gelukkig gezinnetje, staat nooit
dronken in de tabloids en zelfs als rapper zal je hem niet
betrappen op een ‘fuck ya mama‘ of een ‘this biatch
owes me some gee’.
Neen, Will Smith vloekt niet. Will Smith is
voor de Amerikanen wat Luc Appermont begin jaren negentig voor de
VTM’ers was: de ideale schoonzoon, maar dan zonder het verdoken
homo-complex. Het voordeel van zo’n sterstatus is dat je voldoende
krediet hebt opgebouwd om af en toe een persoonlijk
vehicle te draaien tussen de blockbusters door. Meestal
fungeert de ster dan ook als producer, heeft hij of zij een niet te
onderschatten invloed op het productieproces en krijgt de superster
naast een aardige paycheck ook nog een percentage van de
bioscoopinkomsten. En dat allemaal zonder zelfs een keer te moeten
vloeken in het geval van Will Smith – niet slecht zeg ik. Het is
dan ook dikke zonde dat hij voor zijn tweede egoproject (‘Ali’ was zijn eerste)
gekozen heeft voor een oerconventioneel melodrama dat even
uitdagend is als zo’n banale ‘inspired by true
events’
-weekendfilm die ze vroeger zo graag op de openbare
omroep uitzonden. Eigenlijk het soort film dat even nep is als een
zwarte die niet durft te vloeken.

In het waargebeurde ‘The Pursuit of Happyness’ speelt Will Smith
Chris Gardner, een man die nu miljonair is maar begin jaren tachtig
in een publiek toilet moest slapen om te overleven. Hij is verkoper
van verschrikkelijk onhandige botscanners (krék een frigobox) en
zijn investering begint steeds meer rode cijfers op te leveren.
Ondertussen krijgt hij flink wat gezaag van zijn bitchy
madam te verwerken (Thandie Newton die er bijloopt als een
gedrogeerde soepkip) en probeert hij ook een rolmodel te zijn voor
zijn zoontje (Jaden Smith, het echte zoontje van Big Willy).
Gardner is echter geen domme kloot (hij kan een Rubiks kubus
oplossen, crazy!) en in de hoop op een beter leven waagt
hij zijn kans bij makelaarsgigant Dean Witter & Company. Met
veel doorzettingsvermogen en wat hoerenchance mag hij beginnen als
onbetaalde stagiair, met de kleine kans dat er een vaste job aan
vasthangt. Omdat zijn vrouw nu eenmaal een eendimensionale teef is,
verlaat ze het gezin en blijft Gardner alleen achter met zijn
zoontje. Zonder geld en zonder een dak boven het hoofd wacht hen
een lange en moeilijke weg naar de happyness.

‘The Pursuit of Happyness’ is het waargebeurde verhaal van een
selfmade-man, dat echter zo agressief door de
Hollywoodmangel is gehaald dat er van de ‘echtheid’ nog bitter
weinig overblijft. En dan heb ik het niet zozeer over het feit dat
de stage eigenlijk wel vergoed was (Gardener kreeg een maandloon
van duizend dollar) en de vele andere loopjes met de werkelijkheid
die worden genomen in dit zogezegde authentieke verhaal. Nee, het
ligt ‘m eerder aan de wijze waarin de verschillende elementen op
een geforceerde manier samenkomen om toch binnen dat
feelgood-stramien van de inspirerende biopic te passen. Het verhaal
van Gardner zal ongetwijfeld hartverscheurende momenten bevatten,
maar in deze American Dream-smartlap van een film moet je die al
heel hard zoeken tussen de subtiel aanzwellende viooltjes en de
berekende plotwendingen die net op tijd ingrijpen om het allemaal
toch niet zo tragisch te maken. Er wordt uitstekend geacteerd door
de leading man en af en toe passeert er wel eens een
oprechte scène of dialoog maar de melodramatische schmaltz
domineert van de eerste tot de laatste minuut. Het leven zoals het
is, voorgeschoteld op een zilveren Hollywoodplaatje.

Neem nu de scène waarin Gardner te horen krijgt dat zijn vrouw
hem gaat verlaten. Een mededeling die hem blijkbaar doet denken aan
Thomas Jefferson en de Onafhankelijkheidsverklaring waar die o zo
belangrijke pursuit of happiness in vermeld staat. Nu kan
je mij veel wijsmaken, maar een man die spontaan moet denken aan de
fucking Onafhankelijkheidsverklaring wanneer zijn vrouw
hem verlaat is even geloofwaardig als een West-Vlaamse kok die
beweert hardrocker te zijn. Dat soort gekunstelde ingrepen zitten
er in omdat de verklaring van de titel en thematiek nu eenmaal met
een grote lepel in onze mond moet worden gestampt. Subtiliteit in
combinatie met inspirerende feelgoodcinema is nog steeds taboe en
‘The Pursuit of Happyness’ heeft niet de ambitie om dat tij te doen
keren.

En welke belangrijke levenslessen worden er eigenlijk
meegegeven? Dat je beter in goede conditie verkeert als je gelukkig
wilt worden. Zonder overdrijven, Will Smith loopt meer kilometers
in deze film dan in al zijn blockbusters samen. Omdat iemand
stilletjes laten afzien veel te subtiel is, moet Smith constant
heen en weer crossen. Hij mist de bus, hij mist de metro, hij zit
een hippievrouwmens achterna omdat ze zijn botscanner heeft
gestolen en hij moet vluchten voor een agressieve taxichauffeur.
Dat is enorm vermoeiend, repetitief en vooral een hele flauwe
manier om de boodschap over te brengen. En voor een film die
handelt over de zwaktes van het kapitalistisch sociaal systeem,
gedraagt ‘The Pursuit of Happyness’ zich eigenlijk opvallend braaf
tegenover dat systeem. Even krijgen we een nieuwsbericht te zien
waarin Reagan vertelt dat het niet goed gaat met de economie, maar
voor de rest hadden ze de film evengoed The Pursuit of Bling
Bling
kunnen noemen. Niet dat ik een sociaal-economisch
pamflet had verwacht, maar Gardners benarde situatie wordt nooit
door een maatschappijkritisch vergrootglas bekeken. Elke kans om
iets écht relevant te vertellen moet wijken voor een doodeenvoudig
from zero to hero-verhaaltje.

Mocht er een alternatieve titel nodig zijn omdat taalpuristen
problemen hebben met de verkeerde spelling van het woord
happyness, dan zou ik onmiddellijk ‘De Grote Will Smith
Show’ als optie indienen. Want hoe fake, moreel dubieus en
hartverwarmend lauw dit waargebeurde sprookje ook mag zijn, Will
Smith is geweldig goed als de man die letterlijk de benen van zijn
lijf moet lopen om dat beetje geluk in het leven te bemachtigen.
Met zijn natuurlijke charme en verbale scherpte draagt Smith de
film met twee handen op zijn rug. Hij had het showy kunnen
doen, maar hij kiest voor een bescheiden en introverte vertolking
(als hij niet moet rondlopen tenminste). Will Smith kan het, alleen
jammer dat hij het moet doen in een film die het niet wil kunnen.
Zelfs een compleet ongeloofwaardige situatie waarin hij in
werkplunje (hij was zijn muren aan het witten!) naar een
sollicitatie trekt na een nachtje gevangenis (hij was zijn
parkeerboetes vergeten te betalen!), weet hij zonder problemen te
verkopen. Zijn zoontje vond ik dan weer iets te schattig (check dat
mini-afrootje en smelt), maar het valt niet te ontkennen dat de
wisselwerking tussen die twee heel natuurlijk en geloofwaardig
is.

‘The Pursuit of Happyness’ is een typische Hollywoodprent waarin de
miserie van het leven chirurgisch wordt omgebouwd tot
feelgood-entertainment. Mensen op zoek naar goedkope levenslesjes
die als sacharine verpakt worden weten waar ze hun happy
end
moeten zoeken. De rest kan beter naar een film van de
Dardennes of Ken Loach kijken. En daar vloeken ze tenminste nog.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 5 =