The Holloways :: So This Is Great Britain?

Soms zijn er van die momenten dat zelfs wij denken dat we het nu
wel gehad hebben met de nieuwe Britse gitaarwave. Toen we voor het
eerst de debuutplaat van The Holloways beluisterden hadden we zelfs
zoiets van: is dit nou dat ene groepje te veel? Zouden we ons
voortaan niet beter verdiepen in Thaïse tango, Wit-Russische wals
of Malinese mazurka? ‘So This Is Great Britain?’ verdween dan ook
alras in de kast, tot we vorige week aan onze bespreking begonnen
van The Freedom Spark van Larrikin Love. In de hoesnota’s
kwamen we een zekere Rob Skipper tegen, in het dagelijks leven
gitarist, zanger en fiddler van The Holloways. “Hebben we ‘So This
Is Great Britain?’ niet te snel opgegeven?”, vroegen we ons af, en
voor alle zekerheid haalden we de plaat weer vanonder het stof voor
een hernieuwde, grondigere kennismaking.

Net als Larrikin Love komen The Holloways uit Londen en zijn ze met
vier: Skipper deelt het ‘frontmanschap’ met Alfie Jackson (zang,
gitaar, harmonica); Bryn Fowler (bas, zang) en Dave Danger (drums)
maken de groepsfoto compleet. De bandnaam verwijst naar de Londense
Holloway Road, waar de vier elkaar twee jaar geleden leerden kennen
in een club. Met hun toerbusje (Morris the Van) maakten ze het land
al gauw onveilig en merkten ze dat er wel degelijk een publiek is
voor hun energieke muziek, een samengaan van pop, punk, ska, folk
en skiffle. Om nog meer optredens te versieren bracht de groep op
het eigen Sensible Records label de singles ‘Generator’ en
‘Happiness and Penniless’ uit.
TVT Records, de platenmaatschappij die ons eerder dit jaar Towers of
London
schonk (we zijn hen daar nog steeds zeer erkentelijk
voor), herkende in The Holloways een groepje dat moet kunnen
wedijveren met The Kooks, Arctic
Monkeys
en The Fratellis. ‘Two Left Feet’, de eerste
single onder TVT-vlag, werd een succes. Dat smaakte naar meer en
het viertal mocht een full-cd opnemen met Clive Langer en Alan
Winstanley, twee producers wier namen vooral in de jaren ’70 en ’80
heel wat lp-hoezen sierden (zie: Costello, Dexy’s Midnight Runners,
Teardrop Explodes, Hothouse Flowers, Lloyd Cole, …)
Erg groot was het budget echter niet, en alles moest in een mum van
tijd ingeblikt worden. Dat lukte, en na twee weken opnemen en twee
weken mixen was de plaat zo goed als klaar.

Zoals we al zegden vonden we hier aanvankelijk niet echt veel aan.
De opener, het bijtende ‘So This Is Great Britain?’, waarmee The
Holloways het Britse establishment een veeg uit de pan wil geven,
kon er omwille van de gevatte tekst en de hoge meezingfactor nog
mee door, maar voor het overige hoorden we op de plaat vooral
opvulsel tussen hier en daar een deugdelijke song. Maar zoals
Bredero al zei, het kan verkeren, en tegenwoordig gaat er geen dag
voorbij of we laten onze poets- en afwasactiviteiten begeleiden
door deze plaat.
Op het eerste gehoor klinken ze inderdaad als een doordeweeks
punkpopbandje, maar de leuke samenzang tussen Skipper en Jackson,
de viool en de mondharmonica geven de muziek wel een meerwaarde.
Veel mensen zullen dit waarschijnlijk crap vinden, wij
vinden het allemaal behoorlijk onweerstaanbaar. Intussen is het
zelfs zo ver dat we op de keper beschouwd hooguit een song of twee
net niet goed genoeg vinden om te slagen met voldoening.
Voor het overige is het volle bak feesten geblazen, in de eerste
plaats met ‘Generator’, de single die zelfs geschikt lijkt voor een
mash-up met ‘Wasmasjien’ van Trafassi. Maar ook de
(pop)punk van ‘Dancefloor’ en ‘Happiness and Penniless’ slaat aan,
net als de ska(pop) van ‘What’s the Difference’ en ‘Fuck Ups’, en
de melodieuze (folk)pop van ‘Fit For a Fortnight’, ‘Malconted One’
en ‘Diamonds and Pearls’. Het enige echte rustpunt van de plaat is
‘Most Lonely Face’, een tedere ballad, waarin de boys hun liefde
verklaren aan een prostituee. (Te vrezen valt dat samenstellers van
jaaroverzichten deze song gaan gebruiken wanneer ze het onderwerp
‘Ipswich Ripper’ willen – euh – aansnijden.)

Natuurlijk hebben The Holloways ook hun minpunten. De jongens zijn
echter oud en wijs genoeg om te weten waar het soms schort. Net
toen we aan onze opsomming wilden beginnen van dingen die nog beter
kunnen, lazen we een interview waarin ze zich niet te beroerd
voelden zelf hun werkpunten aan te stippen. Een gezonde instelling,
die het beste laat verhopen voor de toekomst van deze hard werkende
band.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vijf =