Solaire :: …And Then I Strapped Explosives To My Body

Terroristen heetten vroeger anarchisten. Baardige mannen die met bommen op zak liepen en het staatsbestel omver wilden gooien. Een halve eeuw later werden ze terroristen genoemd, de baarden verdwenen maar het idee bleef gelijk: het staatsbestel omver gooien.

Tot voor enkele decennia hoefde de modale burger niets te vrezen: de doelwitten van de terrorist waren de hoogwaardigheidsbekleders en de regeringsleiders. Maar gaandeweg ontdekten terroristen dat angst en terreur meer effect hebben als ze het gewone volk viseren. Bomauto’s en zorgvuldig geplaatste bommen volgden. De laatste halte in een trieste rij zijn de zelfmoordterroristen: menselijke bommen, lichamen volgeplakt met explosieven, klaar om te ontploffen zodra een groot dodental verzekerd is.

Rituele reinigingen gaan aan de laatste vernietigende daad vooraf. Lichaam en geest dienen gezuiverd te zijn vooraleer de bommen geplaatst worden en de reis beginnen kan. Op …And Then I Strapped Explosives To My Body wil het Rotterdamse postrock-collectief Solaire eenzelfde ritueel bij de luisteraar evoceren. Het debuut blijft netjes binnen de krijtlijnen van het genre maar weet te charmeren door enkele knap geplaatste zanglijnen en samples.

“Ming’s Pretty Years” ontleent aan de zachtere Mogwai de broodnodige gitaarpartijen maar behoudt een dynamiek en levendigheid die de Schotten nooit gehaald hebben. Achter de melancholische gitaarlijnen zit dan ook vreugde verscholen, de ijle zang van Marco Coenradie is nauwelijks hoorbaar binnen het geheel. Ook “Untitled (Self Portrait)” start als een zachte Mogwai, maar gooit er wel distortion doorheen en laat de gitaren veel verstoorder te werk gaan. De erfenis wordt een tweede maal geïnterpreteerd en krijgt een venijnig grauwend staartje.

In “Three Hours Into Spring” willen de gitaren rustig verder dromen maar biedt een nukkige bas, ondanks alle druk, weerwerk. Het nummer slaagt er nauwelijks in de verschillende instrumenten in het gareel te laten lopen en laat het tenslotte, zeker van zichzelf, volledig ontsporen. Het geeft aan “1:1.618” de mogelijkheid om zijn eigen weg te vinden, al blijft het een onzeker pad dat wordt bewandeld. De wegwijzers zijn immers vervaagd en door weer en wind aangetast.

Met “Timon” wordt dan toch weer het vertrouwde terrein bereikt. Het nummer weet zichzelf met de haren uit het moeras van de mediocriteit te trekken dankzij enkele beklemmende stemsamples. De andere instrumenten en songs staan duidelijk in de schaduw van het diffuse, uit samples opgetrokken verhaal. Of “iamnotsad” zichzelf logenstraft, wordt niet duidelijk. Coenradie klinkt luider dan op “Ming’s Pretty Years” maar paradoxaal genoeg ook minder krachtig, alsof zijn stem weifelend de voorgrond betreedt. Het afscheid komt dan toch: “The Great Went” weet opnieuw te beklijven en durft er zelfs een enkele krachtige explosie tussen te gooien. Een laatste keer worden alle remmen losgegooid, de stemsamples geven het genadeschot.

Na We vs. Death is Solaire de tweede Nederlandse groep die aantoont dat postrock ook bij onze noorderburen leeft en bestaansrecht heeft. Dat de groep veel trouwer de canon volgt, mag geen bezwaar vormen. Solaire weet zich zeker en vast niet altijd te ontworstelen aan de grote voorbeelden en een enkel nummer maakt duidelijk dat de groep nog aan maturiteit kan winnen. Met …And Then I Strapped Explosives To My Body zal Solaire dan ook geen dood en verderf zaaien in de postrockwereld, maar hun aanslag zal niet onopgemerkt voorbij gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen − acht =