Thunderball

Om correct in te schatten precies hoe stereotiep een Bondfilm
uit de jaren zestig wel is, is het altijd handig om na te gaan
hoeveel scènes Mike Myers uit zo’n film parodieerde voor z’n
‘Austin Powers’-reeks. Niet dat ik zo’n geweldige fan ben van
‘Austin Powers’, maar je moet toegeven, the man knows his
camp.
In het geval van ‘Thunderball’ is dat percentage
gepersifleerde scènes opmerkelijk: de basisplot van de gestolen
nucleaire wapens, de exploderende stoelen waarmee de schurken hun
ongehoorzame secondanten vermoorden, de slechterik met het ooglapje
enzovoort.

Tegen de tijd dat ‘Thunderball’ gemaakt werd, stond de James
Bondreeks al ongeveer op het punt waar ze vandaag nog steeds staat
– de serie ging nog niet zo lang mee, natuurlijk, maar elke nieuwe
film werd ontvangen als een evenement, de merchandising was enorm
en de makers konden eender waar ter wereld gaan in de zekerheid dat
ze enthousiast zouden worden ontvangen door een publiek dat
absoluut wég was van hun held. Vandaag is dat nog steeds zo – het
aantal cynici dat beweert dat de reeks helemaal is doodgebloed, is
groter geworden, maar als puntje bij paaltje komt is iedereen
steeds weer nieuwsgierig en gaat iedereen steeds weer kijken.

Het verhaal van ‘Thunderball’ is standaard Bondspul: Spectre,
ditmaal vertegenwoordigd door “Number 2”, Emilio Largo (Adolfo
Celi), steelt een vliegtuig met twee nucleaire wapens aan boord. Ze
eisen 100 miljoen pond van de Britse en Amerikaanse overheid om de
wapens terug te geven (en daar is weer een flash-back naar Austin
Powers: “We demand one trillion million gazillion billion
dollars!”).
Bond reist af naar Nassau, waar hij contact legt
met Domino (Claudine Auger), de zus van één van de vermoorde
bemanningsleden van het gestolen vliegtuig. Volgt daar de obligate
ontmoeting tussen Bond en Number 2 (ik zou ‘m Largo kunnen noemen,
maar Number 2 klinkt gewoon leuker) aan de blackjack-tafel, enkele
goed van oren en poten voorziene dames die spontaan in zwijm vallen
wanneer ze Bond zien, een paar doden, heel wat onderwaterscènes…
Business as usual. ‘Thunderball’ is zelfs zodanig
archetypisch Bond dat we een scène krijgen waarin Number 2 naast
zijn zwembadje vol levensgevaarlijke haaien loopt en zegt:
‘Patience, my friends!’ Het zal uiteraard geen uur duren
voordat er iemand trappelend en schreeuwend in dat zwembad terecht
komt. Right on!

Voor ‘Thunderball’ werd de originele regisseur van de reeks,
Terence Young, weer opgeroepen voor dienst, nadat hij vervangen was
door Guy Hamilton voor ‘Goldfinger’. Waar Hamilton de man was van
de ongebreidelde fantasie en de vrolijke onzin, probeert Young, net
zoals eerder, om de reeks weer een ietsje meer in het gareel te
trekken. Natuurlijk is dit allemaal bullshit, maar in
‘Thunderball’ worden minder knipoogjes gegeven naar het publiek om
hen mee te delen dat het allemaal maar een grap is. Wat je te zien
krijgt, is absoluut onmogelijk, maar het wordt, voor het grootste
gedeelte, met een straight face gespeeld. We krijgen
natuurlijk de one-liners van Bond zelf – nadat hij iemand gedood
heeft met een pijlengeweer: “I think he got the point” –
maar die worden dan weer op zo’n manier in de film geplaatst dat ze
eigenlijk enkel de coolness van James Bond benadrukken.
Iemand vermoorden is al heavy genoeg, maar dat doen en er
dan nog nonchalant over zijn ook… Wow. ‘Thunderball’ is niet
zozeer een terugkeer naar de werkelijkheid voor Bond, het is eerder
een terugkeer naar een niet geheel bevriend buurland van de
werkelijkheid.

De film markeert ook het begin van de megalomanie van de
Bondreeks, hoewel die er in ‘Golfinger’ al gedeeltelijk inzat.
Vanaf dit punt zouden de films consequent langer en grootschaliger
worden – ‘Thunderball’ is een prent die aanvoelt alsof de makers
contractueel verplicht waren om er àlles in te gooien dat ze konden
bedenken. Een onderwatergevecht, een autoachtervolging, een
vuistgevecht, nog een onderwatergevecht, een ter-nauwer-dode
ontsnapping, nóg een onderwatergevecht… Tijdens het eerste uur
is ‘Thunderball’ ontzettend amusant, met een verblijf van Bond in
een kuuroord waar hij vijandige spionnen met de glimlach versmoort
in een Turks bad voordat hij met een verpleegster gaat wippen. Maar
daarna, in de tweede helft, gaat de film te lang en overladen
aanvoelen. Is het echt nodig om de prent drie climaxen te geven?
Bestaat er echt een prangende behoefte in de wereld aan nog meer
establishing shots van de Bahamas? Wat goed overdacht
knipwerk hier en daar, en ‘Thunderball’ was zó 15 minuten korter
geweest – wat de film absoluut geen kwaad zou hebben gedaan. Maar
goed, in die tijd was het personage zodanig populair dat de makers
allicht dachten dat more inderdaad ook more was.
Als een Bondfilm van 105 minuten scoort, dan is eentje van 125
minuten nog beter! Niet dus – ‘Thunderball’ is een film die eindigt
en eindigt en eindigt, voordat hij nog eens eindigt en eindelijk
gedaan is.

Tegenover die langdradigheid staan dus wel die klassieke
“Goodbye, Mr. Bond!”-momenten, en vooral Connery’s
présence als de supersion zelf. Hier heeft Connery overigens het
voordeel dat hij niet de hele film lang in een smoking moet
rondlopen, maar gekleed mag gaan in hemdje en zwemshorts, zodat hij
zijn lichaam meer kan gebruiken – een lichaam dat in die tijd
behoorlijk afgetraind was, en voorzien van voldoende borsthaar om
een klein land van oorkussens te voorzien. Zet Connery op een
exotische locatie met een mooie vrouw aan zijn zij, en je hebt
d’office al een film die met een voorsprong aan de race begint.

‘Thunderball’ is zeker niet de beste Bondfilm, maar het is een
klassieker in elke zin van het woord, die de serie toont in zijn
meest traditionele gedaante. Laat het dan allemaal nog wat te lang
duren, geen enkele fan mag deze gemist hebben. Al was het maar om
de übercampy titelsong van Tom Jones te doen, nog steeds
een vast nummer op bezopen karaokeavonden onder veertigplussers.
Kom, allemaal samen: “Like Thun… der… baaaaaaallll!”
Heerlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − acht =