The Browning Version




Mike Figgis’ film ‘The Browning Version’ is één van die projecten
die je eraan herinneren dat drama’s en drama’s twee verschillende
dingen zijn. Aan de éne kant van het spectrum heb je het doorsnee
(veelal Amerikaanse) melodrama, waarin emoties zo woest en
nadrukkelijk mogelijk worden uitgesproken, liefst nog met een fikse
huilbui erbij. Dat soort films krijgen we elk jaar met
karrenvrachten in de zalen, tot hun vermogen om te ontroeren of
zelfs maar iets zinnigs te zeggen vrijwel geheel verdampt door de
hitte van de vergoten tranen. Maar dan heb je ook nog, aan de
andere kant van het spectrum, de typisch Britse stiff upper
lips
-drama’s, genre ‘The Remains of
the Day’
. Zo van die films waarin de personages absoluut niks
uitspreken tot het écht niet anders meer kan, waarin een facade van
normaliteit wordt opgehouden tot de personages het uiteindelijk
opgeven en hun emoties moéten laten zien. En dat soort films heeft
mij altijd méér geraakt. Een huilbui is een huilbui, en daarmee
uit. Maar mensen die geleerd hebben om hun emoties te onderdrukken
– zoals we dat allemaal geleerd hebben – en er vervolgens zodanig
door overmand worden dat ze niet anders kunnen dan ze te tonen, dàt
kan pas aangrijpend zijn. James Ivory had dat begrepen voor
‘The Remains of the Day’ en enkele
andere films, en ‘The Browning Version’ is een (weliswaar minder
gekend) ander voorbeeld.

Albert Finney speelt Andrews Crocker-Harris, een leraar talen aan
een exclusieve jongensschool ergens op het Britse platteland.
Terwijl zijn leerlingen met open ogen zitten te slapen in zijn klas
en hem achter zijn rug “de Hitler van 5B” noemen, blijft hij
pogingen ondernemen om hen de klassiekers aan te leren, waaronder
de ‘Agamemnon’ van Aischylus. Crocker-Harris lijkt al lang geleden
alle hoop opgegeven te hebben om nog iets te betekenen voor zijn
leerlingen, en ook op het thuisfront vergaat het hem niet veel
beter. Hij is helemaal vervreemd van zijn echtgenote Laura (Greta
Scacchi), die er achter zijn rug een affaire op nahoudt met de veel
jongere, veel populairdere en vooral veel Amerikaansere leraar
chemie Frank Hunter (Matthew Modine).

Vanwege hartproblemen wordt Crocker-Harris gedwongen om ermee op te
houden aan het einde van het schooljaar, en de ongeliefde leraar
bereidt zich al voor op een afscheid met stille trom, wanneer hij
van één van zijn leerlingen, de snuggere Taplow, een speciaal
geschenk krijgt: een vertaling van ‘Agamemnon’ door Robert
Browning. Dit eenvoudige gebaar van affectie weet eindelijk door
zijn defensies heen te breken.

In feite is ‘The Browning Version’ dus de schaduwzijde van pakweg
‘Dead Poets Society’: we krijgen een onpopulaire leraar die nooit
heeft geleerd om contact te leggen met zijn leerlingen en aan het
einde van de rit zijn eigen fouten inziet. Crocker-Harris’ fatale
fout, suggereert Mike Figgis, is dat hij nooit heeft geleerd om te
communiceren. Hij voelt een oprechte liefde voor zijn vakgebied, en
aan het begin van zijn carrière probeerde hij nog om dat
enthousiasme over te brengen op de jongens in zijn klas – maar dat
is al lang verleden tijd. Hij kan zijn leerlingen niet bereiken en
zit dus maar zijn tijd in het klaslokaal uit, terwijl hij inwendig
nog steeds geniet van de schoonheid van zijn klassiekers; een
schoonheid die z’n leerlingen nooit zullen kennen. Ook met zijn
vrouw kan hij niet praten: hun conversaties beperken zich tot “geef
de jam eens door” en “moet ik iets meebrengen uit het dorp?”. Van
enige echte communicatie is geen sprake. Crocker-Harris’ directeur
(Michael Gambon) schuift hem onder bedekte termen telkens opnieuw
opzij – “helaas kunnen we geen pensioen voor je regelen, helaas kun
je je afscheidsspeech niet op het einde van de samenkomst houden” –
en hij pikt het, omdat hij geen confrontatie wil aangaan.
Crocker-Harris kan met niemand echt praten, buiten dan het
uitwisselen van banaliteiten, en het gevolg is dat niemand hem
begrijpt of nog wíl begrijpen. Tragisch, voor een man die
uitgerekend lesgeeft in talen en literatuur, in de kunst van het
communiceren van ideeën. Eenzaam en ongeliefd moet hij van school
vertrekken. Tot blijkt dat hij dan toch één iemand heeft weten te
bereiken.

Niets van dit alles wordt uitgesproken, tenzij dan helemaal op het
einde, tijdens de leerkracht z’n afscheidsrede. Tijdens de negentig
minuten die daaraan vooraf gaan krijgen we enkel een emotionele
ijsschots te zien, wiens gevoelens we enkel kunnen afleiden uit de
omstandigheden en uit de prachtig subtiele mimiek die Albert Finney
hem meegeeft. We weten dat er daarbinnen, in dat hoofd en dat hart,
iets aan het broeien is, maar we weten nooit zeker wat. En zo hoort
het ook – er is niets ostentatiefs aan ‘The Browning Version’,
alles is subtiel. Er wordt niet geschreeuwd, maar gefluisterd. Niet
gehuild, maar triest geglimlacht. Het feit dat we onder dat
glanslaagje van “met mij gaat alles prima” tóch de malaise van
Crocker-Harris kunnen aanvoelen, is getuige van de kwaliteit van
het acteerwerk en van de regie.

Figgis doet erg interessante dingen met de setting: de prent speelt
zich ergens eind jaren tachtig, begin jaren negentig af, maar het
is slechts af en toe dat we een glimps van de moderne wereld
opvangen. Tijdens het eerste half uur is het zelfs perfect mogelijk
om te denken dat alles plaatsvindt in de jaren vijftig – oude
gebouwen, oude gebruiken, leraars keurig in een ouderwets pak
gestoken, alle rekwisieten afkomstig uit een resoluut pre-digitaal
tijdperk. Dan, tijdens de tweede akte van het verhaal, wordt af en
toe al wat meer nadruk gelegd op het leven van de leerlingen en
merken we dat er buiten die schoolmuren ook een hedendaagse wereld
aan de gang is, met popsterren, auto’s en wat heb je nog allemaal.
Voor de rest lijkt de film zich in een time warp af te
spelen. Het is natuurlijk waar dat de prent gebaseerd is op een
toneelstuk uit 1948 (voor de eerste keer al verfilmd aan het begin
van de jaren vijftig), maar het vermijden van moderniteit in deze
versie is absoluut een bewuste keuze. In de school heeft de tijd
stilgestaan, evenals in Crocker-Harris’ verstand. De nieuwe tijd
komt dreigend achter het hoekje loeren in de vorm van sympathieke
pee Matthew Modine, die z’n leerlingen als vrienden ziet, en die
van zijn opvolger Tom Gilbert (Julian Sands), die de klassieke
talen wil laten vallen om meer aandacht te besteden aan “moderne,
levende talen”. Vooruitgang wordt niet hoog in het vaandel gevoerd
hier.

Voor de rest is dit voornamelijk een showstuk voor de acteurs, en
ze doen het zonder uitzondering allemaal schitterend. Albert Finney
weet met één opgetrokken wenkbrauw meer informatie over te brengen
dan anderen met een hele monoloog, Greta Scacchi is een
overtuigende ijskoningin en Matthew Modine is zeer degelijk als
haar minnaar. Dit zijn karakteracteurs die helemaal in hun rol
verdwijnen, en het resultaat is soms fantastisch.

Met een boeiende thematiek, een intelligente regie en goeie
acteerprestaties is ‘The Browning Version’ een ietwat in de
vergetelheid gesukkeld pareltje, dat dringend aan een herontdekking
toe is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 18 =