The Breakfast Club




Eén van de belangrijkste exponenten van de filmindustrie in de
jaren tachtig is wel de tienerfilm. Het idee om films te maken vóór
tieners, óver personages van hun eigen leeftijd was niet nieuw –
wat waren de films van James Dean anders, en dat was al in de jaren
vijftig. Maar in de eighties werden dit soort films systematisch
gemaakt, het werd een industrie op zichzelf, en de general
manager
van die industrie was John Hughes, een man die je bijna
zou kunnen omschrijven als een kindvriendelijke versie van Larry
Clark. Hij had eenzelfde obsessie met de gevoelswereld van tieners,
maar in plaats van expliciete masturbatie, tomeloos geneuk en grof
geweld kregen we de gigantische hairspray-kapsels en huilerige
monologen van o zo brave middenklaskindjes. Dat scheelt een slok op
de borrel. Met ‘Sixteen Candles’, ‘Weird Science’ en ‘Pretty in
Pink’ profileerde hij zich als grossier in adolescente emoties.
Waar hij tegenwoordig zit, weet niemand (misschien runt hij ergens
een opvangcentrum voor zwerfpubers), maar tussen tachtig en
zevenentachtig was hij alomtegenwoordig. ‘The Breakfast Club’, uit
’85, was zijn meest succesvolle film.

Vijf tieners, gespeeld door een keur aan tegenwoordig volledig in
de vergetelheid gesukkelde brat-pack namen, krijgen op een
zaterdagmiddag om uiteenlopende redenen strafstudie. De één is een
arrogante sportieveling, een ander een nerd, nog eentje een
leeghoofdig poppetje, eentje is een zwijgzame weirdo en de
laatste is een delinquent. Nu worden ze allemaal enkele uren lang
samengegooid in de bibliotheek van hun school, onder toezicht van
hun schofterige directeur (die voor het gemak urenlang z’n gezicht
niet laat zien wanneer het de film zo uitkomt). Aanvankelijk willen
de vijf niets met elkaar te maken hebben, maar zouden ze misschien
aan het einde van de dag geleerd hebben om elkaar te waarderen voor
wie ze zijn? Zouden ze misschien lange en betekenisvolle gesprekken
met elkaar voeren waarin ze hun eigen en elkaars problemen tot op
de bodem uitspitten? Wat denkt u?

Er is veel aan ‘The Breakfast Club’ dat in het nadeel van de film
spreekt. Bekijk alleen maar al eens die cast: Emilio Estevez heeft
nog minder een carrière dan zijn broer Charlie Sheen, en dat wil al
wat zeggen. Molly Ringwald zit op een graasboerderij voor
tienersterretjes wiens tijd in de spotlight om is, en de drie
anderen (Judd Nelson, Ally Sheedy en Anthony Michael Hall) spelen
tegenwoordig rolletjes in het soort tv-programma’s waar alleen
mensen naar kijken die heel laat opblijven. Ze behoren allemaal tot
dat groepje jonge honden die in de jaren tachtig heel eventjes
furore maakten, maar hun fifteen minutes of fame al achter
zich hadden tegen de tijd dat de Berlijnse muur viel. Misschien dat
daar ook wel een reden voor was: zo’n geweldige acteurs waren ze nu
ook weer niet.

De aanwezigheid van de acteurs is maar één van de elementen die
‘The Breakfast Club’ dateren: de kleren en de setting maken het
werk af. Geen enkele van de acteurs mag te dicht in de buurt van
een open vlam komen, uit schrik dat de volledig spuitbus hairspray
die ze in hun kapsel hebben gespoten in de fik zou vliegen. En alle
personages worden ook zeer zelfbewust gekleed naar hun typetje: de
crimineel draagt houthakkershemden, de seut een wollen truitje, de
beauty queen een roze outfitje met botjes. Misschien kun je het een
film uit ’85 niet echt aanrekenen dat hij eruit ziet alsof hij uit
de jaren tachtig afkomstig is, maar wie er nu naar kijkt, kan zich
daar wel fameus aan beginnen storen.

Bovendien zijn de emotionele ontladingen van de personages
voorspelbaar en geforceerd. Niemand heeft het makkelijk, zo blijkt,
en het gras is altijd groener aan de andere kant van de heuvel. Het
modepoppetje doet zich cooler voor dan ze is, de seut blijkt zijn
ouders te haten, de sportivo plengt zilte tranen op zijn kussen
omdat hij het toch zo moeilijk heeft. En dat alles komt naar voren
uit huilerige monologen die zeer vreemd klinken uit de mond van een
zestien- à zeventienjarige. Komt daar nog bij dat de realiteit van
de situatie vrolijk overboord wordt gegooid wanneer het scenario
dat nodig heeft: de directeur laat zijn leerlingen urenlang alleen
zodat ze op hun gemakje kunnen verbroederen, als de vijf
gemoedelijk een jointje opsteken zijn ze onmiddellijk weer nuchter
wanneer de plot dat van hen vereist, en het komt zelfs tot een paar
zeer onwaarschijnlijke amoureuze ontwikkelingen.

En toch… En toch hééft die film iets. Iets waardoor hij twintig
jaar later nog altijd bekeken wordt. Misschien ligt het wel aan de
sfeer ervan – die “regenachtige zaterdagochtend”-sfeer, waarop een
lege dag zich eindeloos voor je uitstrekt en er blijkbaar toch de
mogelijkheid is dat er vanalles gebeurt. Of misschien ligt het aan
de dialogen, die afnemen in kwaliteit zodra de acteurs hun diepste
gevoelens dienen bloot te leggen, maar die tussendoor best wel
geestig zijn (de crimineel tegen de directeur: “Weet Barry Manilow
wel dat u z’n kleren jat?”)

Destijds was ‘The Breakfast Club’ een enorm succes, en ook nu nog
wordt hij continu uitgezonden op tv – dan moet je vaststellen dat
die film toch ergens een snaar heeft geraakt. Misschien komt dat
wel juist door de expliciete manier waarop John Hughes hier z’n
intenties aankondigt. Hij wil een Betekenisvolle Jongerenfilm
maken, en gooit alle subtiliteit overboord in die ambitie – de
personages zéggen letterlijk wat er hen dwarszit, ze zéggen
letterlijk dat ze niet zijn wie ze lijken te zijn, en daarmee nemen
ze de kijker het werk uit handen. De conclusies worden voor ons
getrokken, en dat maakt de film zodanig gebruiksvriendelijk dat
populariteit haast vanzelf moet volgen.

Of u zich er nu in kunt vinden of niet, het is een eighties
classic
, deze ‘Breakfast Club’. Alleen ben ik altijd één van
die mensen geweest die het ontbijt graag overslaat omdat het anders
zo zwaar op m’n maag ligt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =