The Devil’s Rejects




Robert Cummings aka Rob Zombie aka Rozzo voor de vrienden is een
gezellige jongen. Naast een populaire metal-carrière is de bebaarde
ruigerd ook grote fan van horrorfilms – meerbepaald de
exploitation shock-horror uit de jaren zeventig. Vaak
amateuristisch in elkaar geflanste low-budget filmpjes, die zich
kenmerken door een spuuglelijke look en een taboe-doorbrekende mix
van sadistisch geweld en seksuele vernederingen. Eentje was er
degelijk (en relatief minder extreem): ‘The Texas Chainsaw
Massacre’ van Tobe Hooper. De rest zal je voornamelijk terugvinden
tussen de onderste rekken van de donkere gangetjes in de
videotheek. Titels zoals ‘The Hills Have Eyes’, ‘I Spit On Your
Grave’ en ‘Cannibal Holocaust’ zijn zowat de meest ophefmakende
hoogtepunten van het genre en hebben tegen beter weten in een
onterechte cultstatus verworven. Met ‘The Devil’s Rejects’ heeft
Rob Zombie een ziekelijke liefdesbrief geschreven aan zijn
geliefkoosde genre. En hij mag tevreden zijn want zijn smakeloos
stukje pellicule heeft dezelfde rottende geurtjes als zijn
voorbeeldfilms uit de jaren zeventig.

Een aantal maanden na de dolle avonturen van ‘House of 1000 Corpes’
(het niche-hitje waarmee Rob Zombie doorbrak bij de liefhebbers)
wordt de psychopatische Firefly familie, met clownface Captain
Spaulding (lelijke smoel Sid Haig) als clanleider, in het nauw
gedreven door de op wraak beluste deputy George Wydell (nog
lelijkere smoel William Forsythe). Na een bloederige shoot-out
wordt moeder Firefly opgepakt maar vader Spaulding, Otis (een
Charles Manson-lookalike) en Baby (Rob Zombie’s halve trouwboek)
weten te ontsnappen. De familie trekt gezellig langs de
Hillbilly-wegen om tijdens een ritpauze even een paar ongelukkige
reizigers te gijzelen, te vernederen, te villen en nog meer van dat
leuks. Met de hulp van een paar louche premiejagers bereidt Wydell
zich voor op een onvermijdelijke confrontatie met de sadistische
family from hell…

‘Het is niet voor iedereen’, fluisteren de fans van deze ‘The
Devil’s Rejects’. Het is een excuus dat ik in sommige gevallen wel
kan aanvaarden. Woody Allen en zijn neuroses zijn niet voor
iedereen, de kabbelende Aziatencinema moet je ook niet aan jan en
alleman aanraden, en ik zal het niemand kwalijk nemen als hij na
een halve Chaplin-film al op de fast forward-knop zit te duwen.
Maar dan is er die andere categorie, waar het excuus wordt gebruikt
om louter en alleen te verbergen dat het om troep gaat: het is
bedorven, slecht en zelfs niet sympathiek genoeg om van een
guilty pleasure te spreken. Een beetje zoals het verzamelde
werk van Jo Vally dus. En Rob Zombie mag dan nog zo’n grote
voorliefde hebben voor het genre, ‘The Devil’s Rejects’ behoort
ontegensprekelijk tot die tweede categorie.

Rob Zombie heeft zijn labour of love een twijfelachtige
mentaliteit meegegeven die de kijker wel heel ver distantieert van
wat er zich afspeelt op het scherm. Niet dat het grafische geweld
zo overdreven is, integendeel, eigenlijk valt hier niks erger te
beleven dan in een doorsnee splatterprent. Maar de ziekelijke
houding tegenover de wandaden zorgt voor een ongemakkelijk gevoel
waar zelf de goorste taferelen niet tegenop kunnen. Zombie’s focus
op de moordenaarsfamilie gaat er namelijk vanuit dat je bijna
sympathie voor hen kan opbrengen. Het helpt dat Wydell, de deputy
die hen opjaagt, een al even sadistisch zwijn is, maar om die
psychopaten daarom als anti-helden of slachtoffers te zien, nou,
dat is wel veel gevraagd. Als er al een centraal personage is waar
je voor moet supporteren, dan ga je die toch onder de freaks moeten
zoeken. En met die ‘It ain’t easy being a psycho serial
killer’
-thematiek wordt de film bij momenten een wel heel
onaangename kijkervaring.

En dan is er die humor, de luchtige intermezzo’s die de zieke geest
van de film verteerbaar zou moeten maken. Maar in tegenstelling tot
pakweg ‘From Dusk Till Dawn’ is dit geen knipoog-pulpfilmpje met
badass dialogen (in elke dialoog ‘fuck’ ‘shit’ ‘hoer’ ‘slet’
‘klootzak’ en ‘bitch’ steken maakt de dialoog niet cooler, meneer
Zombie). De pogingen tot humor zijn al even fout als de verwachte
sympathie voor de moordenaars. Dat gezegd zijnde, zijn ze echter
ook zodanig out of place dat me één of twee keer toch een
‘what the fuck’-grijns ontsnapte. Zo komt op een bepaald
moment een filmcriticus de politie helpen, aangezien de namen van
de moordenaars gebaseerd zijn op filmpersonages van Groucho Marx.
Die criticus begint daar dan toch een monoloog over Groucho Marx,
Otto Preminger en zelfs Billy Wilder af te steken die niets, maar
dan ook niets terzake doet. Rob Zombie, stiekeme connaisseur van
klassiekers? Verder krijgen we ook het gekibbel onder de familie te
horen over een ijsje en misschien de beste ‘grappige’ scène uit de
film: de discussie over het neuken van kippen. Inderdaad,
kippen.

Voor zijn acteurs en actrices heeft Rob Zombie beroep gedaan op
vergeten cult-en horrornamen die wellicht gewoon heel blij waren
dat ze nog eens wat geld konden verdienen. Zo duikt ondermeer kale
engerd Michael Berryman (Pluto uit ‘The Hills Have Eyes’) even op
om zijn gerimpelde tronie te tonen. Baby, één van de weinige
niet-lelijke personages uit de film, wordt gespeeld door Sheri
Moon, mevrouw Rob Zombie. De enige reden van haar optreden is
ongetwijfeld te danken aan het feit dat ze het bed deelt met de
regisseur. Ik hoop voor mister Zombie dat ze andere talenten heeft,
want haar acteerkunsten trekken op de ballen: ze is ongeloofwaardig
en perst haar slecht geschreven dialogen met de grootste moeite uit
haar poeslieve mondje.

En visueel? Wel, het ziet er even vuil en gritty uit als die
seventies-prenten, wat ongetwijfeld de bedoeling was. En
toegegeven, af en toe wordt er gebruik gemaakt van een originele
montage met een paar hippe freeze-frame shots die bijna doen
vermoeden dat Rob Zombie ergens een beetje talent verstopt heeft
zitten. Zo is de slotscène met ‘Free Bird’ (muziek kent hij wel, de
soundtrack bestaat uitsluitend uit genietbare softrockdeuntjes) van
Lynyrd Skynyrd een knap gemaakte finale die fel afsteekt met het
slecht smakende anderhalf uur dat er aan vooraf gaat.

Dat ‘The Devil’s Rejects’ ballen heeft zal niemand ontkennen, het
is alleen jammer dat ze zo hard moeten stinken. Met alle respect
voor Rob Zombie’s passie en pogingen om af te wijken van de brave
Hollywoodpaden, maar als filmmaker (en vooral als verteller) moet
hij nog heel veel leren. Dit is rommel gemaakt door een liefhebber
van rommel voor fans van rommel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =