Bugz In The Attic :: Back In The Doghouse

Een reguliere groep moet het niet in zijn hoofd halen langer dan een jaar te teren op singles en remixen. De aandacht van het publiek deemstert weg, de perceptie van totale bloedarmoede groeit. De vrijheid om te talmen is dj’s en producers wel gegund, maar hoe dan ook komt ook voor hen ooit de onvermijdelijke en dwingende vraag: "Wanneer kom je nu eindelijk met dat debuutalbum voor de pinnen?"

De druk om de discografie aan te vullen met de Heilige Graal in de muziekbusiness, het full length studioalbum, is ook Bugz In The Attic niet onbekend. Het Britse producers- en dj-collectief maakt al bijna tien jaar naam met remixen van populaire clubtracks, die de originelen soms zozeer boven zichzelf doen uitstijgen (wij verwijzen graag naar 4Hero’s remix van "Hold It Down") dat de vraag naar dansvloerstampers van eigen makelij alsmaar luider weerklonk.

De negenkoppige crew drijft een succesvol handeltje in broken beat, een genre dat ontkiemde in West-Londen en een smeltkroes is van jazzy breakbeats, funk, soul en UK garage. Bugz In The Attic zal u vooral kennen van "Booty La La", die geweldige undergroundhit uit 2004 met het oorwurm-lala-refrein dat associaties met Teletubbies aan de dope opriep. Het plotse en onverwachte succes van de single, die oorspronkelijk alleen bedoeld was om een origineel nummer toe te voegen aan het retrospectieve remixalbum Got The Bug (2004), staafde het geloof in het commerciële succes van een eerste studioalbum.

De neuzen in dezelfde richting krijgen met negen sterke persoonlijkheden (Orin ’Afronaught’ Walters, Paul ’Seiji’ Dolby, Kaidi Tatham, Daz-I-Kue, Alex Phountzi, Cliff Scott, Mark Force, Matt Lord en Mikey Stirton) bleek echter geen sinecure. Het opnameproces sleepte door hoogoplopende meningsverschillen en de collectieve afkeer van compromissen uiteindelijk meer dan een jaar aan. Met meerdere chefs die in de kookpotten willen roeren en ego’s die allemaal hun eigen stempel op het eindresultaat willen drukken, mag het geen verbazing wekken dat Back In The Doghouse een bijzonder eclectisch album is geworden. De diverse muzikale achtergronden van elke Bug hebben hun plaats gekregen op de plaat: Phountzi’s voorkeur voor jungle, Afronaughts achtergrond in de house, Tathams voorliefde voor jazz, soul en funk. De broken beat houdt het allemaal bij elkaar, maar voor het overige is het verscheidenheid troef.

Niet dat het versmelten van de vele invloeden een onsmakelijk resultaat oplevert, integendeel. De eerste single "Move Aside" zet wat dat betreft de toon: een snedig voortsnellende funkjam met opzwepende percussie waarin zangeres Bembe Segue fluks de lakens uitdeelt. De Bugz verslijten overigens heel wat gastvocalisten in de zestien tracks, wat de heterogeniteit nog extra in de hand werkt. Wij hoorden onder meer singer-songwriter Michelle Escoffrey ("No More"), Basement Jaxx-zangeres Vula ("It Don’t Work Like That"), originele Bugz-chick Yolande ("Happy Days", "Once Twice") en ouwe getrouwe Don Ricardo ("Worla Hurt", "Redhanded"), waarmee de Londenaars zowat de getalenteerdste mensen van de undergroundscene voor de microfoon wisten te brengen.

Zangers en dj’s steken elkaar onophoudelijk de loef af met snedige hiphop en r&b-beats ("Knocks Me Off My Feet", "Move Aside") en bruisende funk in de beste Parliament-traditie ("I’m Gonna Letcha" en "Sounds like …"). Kans om even op adem te komen wordt niemand gegund. Zelfs de discoclassic "Don’t Stop The Music" van Yarbrough & Peoples (1981) krijgt een stevig funkjasje aangemeten. De buitelende en stotterende beat is de eeuwige constante en doet het telkens weer: onmogelijk om er als een zoutpilaar bij te blijven staan.

Het opbod leidt tot een bijzonder rijk en aanstekelijk album dat met een rotvaart vooruitsnelt, maar dat gewoonweg te vermoeiend is om in één ruk uit te zitten. Geweldige plaat dus … om een hoop singles uit te trekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 4 =