Leya :: Watch You Don’t Take Off

Het Ierse Leya werd onlangs door de Ierse pers verkozen tot de beste nieuwe rockband van het groene eiland. In dat rocklandschap der blinden mag U2 dan al wel een kwarteeuw koning zijn, met dit melancholische debuut maakt Leya zich op voor een verpletterende staatsgreep.

Watch You Don’t Take Off is een plaat van iemand die is uitgebraakt door de Liefde en daarna met een verbeten gelatenheid zijn bitterzoete gal spuwt. Het is een vijftig minuten durende hulp- en strijdkreet van een man die in het verweer gaat tegen de achterbaksheid van diezelfde Liefde, die hij, gedesoriënteerd, cynisch en gekwetst, beschimpt vanuit zijn zwartgallige schuiloord. Die man is zanger Ciaran Gribbin, die Leya leidt naar een plaat waarop elke song als een kwetsbare, bloedstollend mooie en razend knap gearrangeerde hoogmis van droefheid is.

Het probleem met bands als Leya is dat men onmiddellijk de neiging krijgt om een lijstje van soortgelijke bands op te sommen, om hun sound te kaderen. Laat dat hier uit den boze zijn. Bands als Snow Patrol of Starsailor, laat staan Keane, hebben op hun laatste platen jammerlijk gefaald waardoor Leya, onmiskenbaar met hazensprongen, de afstand tussen hem en de anderen vergroot. Voor oppervlakkige tristesse is hier geen plaats, poppy singles om alsnog een groter publiek aan te spreken zijn in de verste verte niet te bespeuren, terwijl de beheerste rauwheid van Leya eerder aan wijlen The Sheila Divine doet denken. Vaak (ook tekstueel) een tikje voorspelbaar, vaak "ergens al gehoord", maar altijd pakkend, direct en gewoon knap gedaan.

"Let’s Pretend" gooit direct alle troeven op tafel. Een gezapige opbouw die, geflankeerd door violen, een voyeuristische piano en een stem leidt tot een melancholische openbarsting en ontlading. "Stay" en "In Our Hands" zijn eveneens nummers die met een vakmanschap, grote zorg en onbetwistbare liefde voor eerlijke songs en emoties zijn geconstrueerd. Leya danst rond de hete brij van belegen pathos, maar slaagt er zo elegant in om er niet in te donderen. Het bittere "On All My Sundays" — over vallen, opstaan en daarna nóg dieper vallen — walst je plat met zijn uitgeschreeuwde, opstuwende refrein. Leya is zo’n groepje dat, onbekend op het festivalterrein of een Grote Markt van jetje gevend, per refrein dat het speelt de rijen hoorlustigen voor het podium ziet aandikken en ze een voor een aan zijn lippen doet hangen.

De Ieren nemen soms wat gas terug. "When You Least Expect It" — liefde als een giftige schorpioen — is voorbestemd om gezongen te worden in een bar waar amoureuze verschoppelingen zich moed indrinken. Het aan het einde spookachtig bombastische "Again" is weer voorzien van soundtrackgetinte arrangementen die van Craig Armstrong konden zijn (zie Massive Attack, U2 en films als Moulin Rouge en Romeo And Juliet), terwijl Gribbins stem op een seconde van Matthew Bellamy’s hoge gil overslaat in Aaron Perrino’s gebrul. Het is een nummer dat Keane ongetwijfeld op zijn laatste plaat had willen zetten, terwijl hij niet verder dan platte, flauwe afkooksels van dit alles geraakt.

Het is bijna angstaanjagend dat over deze gevaarlijke, want emotioneel naakte en epische plaat, eigenlijk niks negatiefs valt te zeggen. Als "The Dream That Money Bought" iets te hard Zornik klinkt om echt het hoge niveau van de rest te halen, brouwen de Ieren er een hemeltergend mooi eindstuk aan waar Buyse zich op stuk zal bijten om er ooit nog maar een afleggertje van te kunnen schrijven. "All On The Black" is dan weer een moordende afsluiter, een wiegende helledans waarin Gribbin zijn eigen zwartgalligheid omarmt.

Na Morning Runner is dit weer een debuut dat in zijn genre eenzame hoogtes bereikt en andere cd’s die door platenmaatschappijen hoog van de daken werden geschreeuwd een paar klassen naar beneden trapt. Een must voor de hopeloos verliefde droefgeest in u. Een debuut dat pakt en schreeuwt om meer. Leya’s staatsgreep mag gerust in een dictatuur uitmonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × drie =