Loose Fur :: Born Again In The USA

Wie dacht dat Jim O’Rourke zinnens was een poos op zijn lauweren te rusten, nu hij zonder al te veel poeha Sonic Youth adieu heeft gezegd, had het bij het verkeerde eind. Zijprojecten bij de vleet voor jolige Jim. Supergroep Loose Fur (een woordspeling voor gevorderden) is er daar eentje van, en kijk eens wat wij deze week in de maag gestompt kregen: de nieuwe Loose Fur, zowaar!

En daar zijn we maar wát blij om, want naast Jim O’Rourke telt Loose Fur ook nog ene Jeff Tweedy in de rangen. En laat dat nu net het meesterbrein zijn achter — zet u schrap — Wilco, Uncle Tupelo, Golden Smog en ja hoor: Jeff Tweedy solo. Bij zo’n erelijst past niets anders dan een nederige knieval. Neem daarnaast nog in acht dat Glenn Kotche, die sinds Yankee Hotel foxtrot bij Wilco de drumvellen geselt, Loose Furs’ derde groepslid is en u begrijpt waarom onze verwachtingen voor deze plaat t´melijk hooggespannen waren.

Om u maar meteen gerust te stellen: die verwachtingen worden netjes ingelost. Zoals de titel laat uitschijnen, hangt er over Born Again In The USA een smeuïg dampende Amerikaanse walm. In tegenstelling tot zijn voorganger, het meer experimentele, titelloze debuut dat met zijn zes nummers niet meer was dan een fors uitgesponnen e.p., krijgen we deze keer een portie rechttoe rechtaan rocksongs voorgeschoteld, waarin niet wordt gekeken op een gitaarsolo meer of minder, en die wat speelplezier betreft enkel worden geëvenaard door een overenthousiaste kleuter die voor het eerst kennismaakt met het reuzenballenbad.

"Hey Chicken" mag de plaat aftrappen en doet dat met een welgemikte schop in het kruis. Deze vuige lap vol gierende riffs, waarop het ongetwijfeld fijn mee-yawnen is al cruisend langs de route 66, is zowat het meest aanstekelijke wat we van Tweedy al te horen kregen. En daar moet "The Ruling Class" niet eens voor onderdoen: een rustig poplied dat tot heerlijk meewiegen aanzet, in de stijl van Wilco’s "Jesus Etc.", maar dan blijmoediger en gezegend met een refrein dat zelfs een tandenloze comapatiënt onmogelijk níet kan meefluiten. In "Answers To Your Question" steekt O’Rourke een eerste maal de kop op met een verbluffend knappe verstilde, maar piekfijn gearrangeerde ballade zoals er ook op zijn Insignificance enkele te vinden zijn.

Het vervolg van Born Again In The USA haalt niet meer het duizelingwekkende niveau van die eerste drie nummers, maar ondermaats wordt het nooit. Op "An Ecumenical Matter", trouwens het enige instrumentale nummer op de plaat, toont O’Rourke nogmaals zijn kunde als geluidsknutselaar, en in het uptempo "Thou Shalt Will" neemt hij met gevat cynisme het religieuze Amerika onder vuur: "I think this one will be a hit / Now that’s what I call holy writ". Het einde van het album wordt ingeluid door de epische brok "Wreckroom", Wilco pur sang, dat kalmpjes aanvat, vervolgens onverwachts tot uitbarsten komt en na een vijftal minuten nog een gezapige, spacy outro met Pink Floyd-allures meekrijgt.

Ideale afsluiter van een een prima plaatje, zijn wij dan geneigd te denken, maar dat is buiten de waard gerekend. Tweedy en de zijnen smijten er met "Wanted" om onduidelijke reden nog een poppy niemendalletje achteraan, waardoor de plaat een nogal abrupt einde krijgt. Een zeurpiet die daarover struikelt, want Born Again In The USA bevestigt ons vermoeden dat Loose Fur niet langer enkel fungeert als excuus van Tweedy en O’Rourke om hun experimentele lusten te kunnen botvieren, maar is uitgegroeid tot een volwaardige band met een eigen sound die evenzeer zijn eigen publiek verdient als Wilco et les autres.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − acht =