Shooting Dogs




Het mag dan wel raar klinken, maar sinds ‘Hotel Rwanda’ lijkt het erop dat de
genocide in Rwanda eindelijk is doorgebroken als ‘populair’
filmthema. Het Westen had blijkbaar een dikke tien jaar nodig om
volledig uit de schaduw van schaamte en schuld te stappen en
volmondig toe te geven dat ze in het voorjaar van ’94 een grote
fout hebben begaan. De Hollywoodversie werd ons al voorgeschoteld
en met ‘Shooting Dogs’ krijgen we een Britse invalshoek onder de
kiezen. Ondertussen is er ook een tv-film over het onderwerp
uitgekomen, ‘Sometimes in April’, en later dit jaar brengen de
Canadezen ook hun Rwanda-film uit met ‘Un Dimanche à Kigali’. Om
maar te zeggen dat het onderwerp wel degelijk hot is.

Ongeacht of je ‘Hotel Rwanda’ goed
of slecht vond, die film heeft cineasten over de hele wereld wakker
geschud om die bijna doodgezwegen gebeurtenis terug in het daglicht
te stellen voor een breder publiek. En terwijl we zo’n zaken enkel
maar kunnen toejuichen, zie ik me ook verplicht om de obligate
‘maar’-kaart uit mijn zakken te halen. Zoals m’n teergeliefde
collega het al zo fijn wist te verwoorden in zijn ‘Hotel Rwanda’-bespreking: ‘de dominantie
van het onderwerp’ lijkt ook de ontvangst van ‘Shooting Dogs’ te
overmeesteren. Meer zelfs, het lijkt wel alsof de makers zich
inhouden om hier cinema van te maken. Gefilmd op locatie, een
aantal overlevenden van die gruwelijke gebeurtenis laten meewerken
aan de film, een authentieke weergave van die bewuste eerste dagen;
allemaal heel verdienstelijk, maar dat maakt nog niet automatisch
een goede film. ‘Shooting Dogs’ is niet slecht, maar het is ook
niet het hartverscheurende meesterwerk dat sommigen ervan zullen
maken.

Begin april 1994. De spanningen tussen de Hutu’s en de Tutsi’s
lopen steeds hoger op en wanneer president Habiyarimana (een Hutu)
met zijn vliegtuig uit de lucht wordt geschoten barst de bom. Nog
voor de Belgische blauwhelmen goed en wel weten wat er precies aan
de hand is, overspoelen de op wraak beluste, machetezwaaiende
milities de straten. De Hutu’s beginnen hun jacht op alle Tutsi’s
en gematigde Hutu’s die ze maar te pakken kunnen krijgen. In een
technisch schooltje, dat tevens fungeert als één van de
blauwhelmkampen (zeker géén vluchtelingenkamp zoals kapitein Delon
ons waarschuwt), volgen we Joe Connor (Hugh Dancy), een ambitieuze
leraar en de toegewijde priester Christopher (John Hurt). Wanneer
de school volstroomt met opgejaagde Tutsi’s moeten de twee heren
keuzes maken die wel eens het verschil zouden kunnen maken tussen
leven en dood.

‘Shooting Dogs’ werd gemaakt door Michael Caton-Jones, die
momenteel lege zalen trekt met het flamoesloze ‘Basic Instinct 2: Risk Addiction’.
Caton-Jones heeft altijd al de reputatie gehad van een
oppervlakkige en weinig ambitieuze filmmaker, en trekt die lijn ook
door met ‘Shooting Dogs’. Akkoord, er zitten een paar sterke
momenten in de film, maar dat ligt dan eerder aan het onderwerp
zelf dan aan de talenten van de regisseur. Caton-Jones gaat zo
voorzichtig en secuur om met zijn onderwerp dat we wel een film
krijgen die nergens vervalt in plat sentiment, maar die ook veel te
weinig de kijker bij het nekvel grijpt zoals dat zou moeten bij
zo’n hartverscheurend onderwerp. ‘Hotel
Rwanda’
was er af en toe over en drukte misschien iets te snel
op die emo-toetsen, maar het werkte wel. ‘Shooting Dogs’ wil graag
een rauwe, authentieke vertelling zijn die de ‘harde waarheid’ uit
de doeken doet, maar schiet op de meest cruciale vlakken net
tekort.

Om het voor de kijker zo eenvoudig en herkenbaar mogelijk te maken
wordt er een blanke invalshoek gehanteerd. Stel dat we eens een
Rwandees hoofdpersonage hebben, dan zou dat allemaal niet lukken,
right? Enfin, op zich niet zo’n struikelblok (het helpt dat
veteraan John Hurt nog niet slecht zou kunnen acteren mocht hij het
willen), maar dan moet je dat ook met wat zorg behandelen.
‘Shooting Dogs’ worstelt meer dan eens met een focusprobleem.
Enerzijds krijg je het verhaal van de westerlingen die
geconfronteerd worden met de volkerenmoord en tegelijk wordt een
poging ondernomen om het verhaal van de Rwandezen zo
waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven. Als gevolg krijgen we een
film die verschillende aspecten respectvol naar voor wil brengen
maar er gewoon de tijd en ruimte niet voor heeft. Ook de twee
blanke hoofdpersonages lijken hieronder te lijden. Tijdens de
eerste helft volgen we vooral Hugh Dancy als de ietwat naieve ‘ik
zal ze hier eens allemaal op m’n eentje redden’-leraar. Zowat aan
de helft van de film verdwijnt dit personage steeds meer op de
achtergrond en krijgt de priester van John Hurt een meer centrale
rol. Dit zijn twee degelijk uitgewerkte personages, maar men had
toch beter gekozen om één personage van begin tot einde op het
voorplan te schuiven. De emotionele betrokkenheid zou beter uit de
verf komen, zonder daarom te moeten toegeven aan goedkope
Hollywoodtruken.

Wat de Hutu’s en de Tutsi’s betreffen kunnen we kort zijn: de
Tutsi’s zijn opgejaagd wild en op een oppervlakkig uitgewerkte
relatie tussen Joe en één van zijn leerlingen na, blijven ze dan
ook vrijwel totaal gereduceerd tot dat opgejaagd wild. De Hutu’s
zijn dan weer niks meer dan de moordende massa buiten de
schoolpoorten, die hakklaar staan met hun bebloede machetes. De
mogelijkheid om van de Hutu-terreinwachter, die aanvankelijk
opschoot met zowel Hutu- als Tutsi-kinderen, een ietwat interessant
personage te maken wordt gewoonweg genegeerd.

Gelukkig is het onderwerp op zichzelf zo hartverscheurend en
confronterend, dat zelfs Caton-Jones met zijn tamzakkenregie daar
de kracht niet van kan ontnemen. Wanneer we een blanke journaliste
horen toegeven dat ze moest huilen wanneer ze ‘dode moeders’ zag in
Bosnië en hier enkel maar ‘dode Afrikanen’ ziet, is dat een raak
geobserveerde en juiste weerspiegeling van hoe het Westen omging
met de volkerenmoord in Rwanda. Ook de slachtpartijen zelf worden
iets meer expliciet in beeld gebracht dan in ‘Hotel Rwanda’. Op zo’n momenten werkt die
‘sobere’ en ‘nuchtere’ aanpak dan weer wel. De politieke uithalen
zijn to the point door het beruchte ‘kijken mag-schieten
niet’-mandaat van de blauwhelmen nuchter en intelligent aan te
pakken. Het blijft steeds braaf binnen de lijntjes, maar er wordt
wel een punt gemaakt, en dat is al iets.

‘Shooting Dogs’ is een moreel verdienstelijke film die ongetwijfeld
meer dan eens geprogrammeerd zal staan op thematische filmavonden.
Pluspunten voor de sobere en onsentimentele benadering maar trek
daar maar onmiddellijk minpunten af voor de onbekwaamheid van de
regisseur om er effectief iets mee te doen. Wat overblijft is
eerder een voorzichtig schuddende vuist in plaats van de genadeloze
mokerslag die dit onderwerp verdient. Na ‘Shooting Dogs’ was ik
slechts twee minuten stil, dat moeten minstens twee dagen zijn…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 − twee =