Buzzcocks :: Flat-Pack Philosophy

Bolton Institute of Technology, 1975. Howard Trafford zoekt muziek
voor zijn videoproject en komt zo terecht bij een student
elektronische muziek, Pete McNeish. Beiden delen een voorliefde
voor The Velvet Underground en beginnen een band. Even later lezen
ze in de New Musical Express een artikel over een zootje ongeregeld
dat in Londen de goegemeente de gordijnen injaagt met haar
onbehouwen, rommelige muziek. Eerst zien en dan geloven, denken ze,
en de twee trekken in februari ’76 naar de Britse hoofdstad om twee
‘concerten’ bij te wonen van de Sex Pistols.

McNeish vervangt alras zijn familienaam door Shelley (de naam die
zijn ouders in gedachten hadden indien hij als meisje was geboren)
en doopt in één keer ook Howard Trafford om tot Howard Devoto. In
juni organiseren ze het allereerste optreden van de Pistols buiten
Groot-Londen, in Manchester, en wanneer Rotten en co in juli
terugkeren, spelen de Buzzcocks in het voorprogramma. Het wordt hun
eerste echte optreden, en als we de overlevering mogen geloven
bevond iedereen die hierna een rol van betekenis zou spelen in de
Manchester scene zich die avond in The Lesser Free Trade
Hall.

De samenwerking tussen Shelley en Devoto is geen lang leven
beschoren. Na een reeks demo-opnames (later gebundeld als ‘Time’s
Up’) en de e.p. ‘Spiral Scratch’ geeft Devoto er de brui aan, om
even later weer voor de dag te komen met Magazine, een groep met
o.a. de latere Nick Cave-bassist Barry Adamson en Siouxsie and the
Banshees-gitarist John McGeoch. (In 2002 resulteert een vernieuwde
samenwerking Shelley/Devoto in ‘Buzzj-kunst’.)
Bij de Buzzcocks schuift iedereen een rijtje op: Shelley wordt de
nieuwe zanger-gitarist, en Steve Diggle mag eindelijk de bas
inruilen voor gitaar. Op de dag dat Elvis sterft, tekenen ze hun
eerste grote contract bij CBS en op anderhalf jaar tijd verschijnen
‘Another Music in a Different Kitchen’, ‘Love Bites’ en ‘A
Different Kind of Tension’, drie langspelers vol sprankelende,
melodieuze poppunk en powerpop met een vleugje glamrock en zonnige
sixtiespop. Het beste wordt gebundeld op ‘Singles Going Steady’
(met o.a. ‘Orgasm Addict’, ‘Ever Fallen In Love (With Someone You
Shouldn’t’ve’), ‘Love You More’ en ‘Lipstick’), verplichte leerstof
voor al wie met de idee speelt zelf een (poppunk)bandje te
beginnen.
Nadat de groep in ’81 even op non-actief gezet, stort Shelley zich
weer even (en met succes) op elektronica (zie ondermeer
‘Homosapien’ en ‘XL1’). Net geen tien jaar laat de band weer van
zich spreken met nieuwe (maar wisselvallige) platen als ‘Trade Test
Transmission’, ‘All Set’ en ‘Modern’, en tournees in het
voorprogramma van o.a. Nirvana, Pearl Jam en de herenigde
Pistols.

Het titelloze album uit 2003 beloofde gelukkig weer beterschap en
vandaag, met hun achtste langspeler, hebben de ‘punk-Beatles’
voorgoed hun tweede adem gevonden. Net als de eerste drie albums is
ook deze achtste studioplaat een vitaminekuur van jewelste
geworden, waarmee we ons nu dagelijks wapenen tegen winterdepressie
en voorjaarsmoeheid. Opener ‘Flat-Pack Philosophy’ verenigt
rudimentaire Sex Pistols-gitaren aan de energie van Therapy? en is
in die zin minder subtiel dan we van de Buzzcocks gewoon zijn. De
eerste echte aha-erlebnissen en adrenalinestoten krijgen we dan ook
pas bij powerpunk anthems als ‘Wish I Never Loved You’, ‘Sell You
Everything’ en ‘Reconciliation’. Jammer genoeg klinkt ‘I Don’t
Exist’ hierna een beetje als The Radio’s (weliswaar met ballen,
maar niettemin The Radio’s) en is ook het naar seventies hardrock
neigende ‘Soul Survivor’ een beetje een anachronisme. Samen met
afsluiter ‘Between Heaven and Hell’ zijn het de enige tracks
waarvan we niet echt uit ons dak gaan.
Gelukkig gaat het vervolgens weer crescendo met ‘God, What Have I
Done’, het erg aanstekelijke ‘Credit’ en ‘Big Brother Wheels’, een
fiere rocker waarin Shelley en Diggle in twee en een halve minuut
demonstreren hoe The Beach Boys zouden klinken als punkband. Ook
‘Dreamin’, ‘Sound of a Gun’ en ‘Look At You Now’ zijn goed, maar
zouden nog beter geweest zijn indien producer-bassist Tony Barber
de gitaren hier wat meer aan banden had gelegd. ‘I’ve Had Enough’
tot slot katapulteert ons terug naar de sound van de vroege
Buzzcocks en de euforische rock van o.a. The Armoury Show.

Herman Schueremans programmeert dit jaar The Who op zijn festival,
om de jongeren te laten kennismaken met één van de eerste bands die
‘georganiseerd lawaai’ wisten te verheffen tot een nobele
kunstvorm. Wij van onze kant zijn nog niet vergeten hoe vorig jaar
geteisem als A Simple Plan het podium van Werchter mocht
ontheiligen. Eén uurtje Buzzcocks en alles is vergeten en
vergeven…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 2 =