North Country




Nog maar net een week geleden ‘De Hel
van Tanger’
gezien, en hier is alweer een drama dat vrijwel
uitsluitend van de totale vergetelheid gered wordt door de
acteerprestaties. ‘North Country’ lijkt qua plot een mengeling van
‘Norma Rae’ (u weet wel, die Sally Field vakbond-klassieker
waarvoor ze zo hysterisch een oscar in ontvangst mocht nemen) en
‘Erin Brokovich’ (u weet wel, die Julia Roberts push-up
bra
-klassieker waarvoor ze zo hysterisch een oscar in ontvangst
mocht nemen). Wat de thematiek betreft, bevinden we ons dan weer
zeer nadrukkelijk in televisie-weekendfilmgebied – wat geen gebied
is waar ik me graag bevind. Dat de film ondanks dat alles tóch op
z’n minst de moeite van het bekijken waard is, is enkel te danken
aan de mensen die erin meespelen. Neem die weg en je houdt enkel
een manipulatieve tranentrekker van dertien in een dozijn
over.

Charlize Theron speelt Josey Aimes, een alleenstaande moeder van
twee kinderen die wegvlucht van haar vriend wanneer die losse
handjes blijkt te hebben. Ze keert terug naar haar geboortedorp in
Minnesota, waar ze, bij gebrek aan beter, in de koolmijnen gaat
werken. Tot voor een jaar of twintig werkten er uitsluitend mannen
in die mijnen, tot de Amerikaanse wet bepaalde dat elke job voor
beide geslachten moest openstaan. Sindsdien zijn er enkele
tientallen vrouwen bijgekomen, die dag in, dag uit de seksistische
opmerkingen en flauwe grappen van hun mannelijke collega’s moeten
ondergaan. Wanneer Josey door één van hen wat al te letterlijk in
het kruis wordt getast, besluit ze een rechtszaak aan te spannen
tegen de mijn wegens seksuele intimidatie. De rechtszaak die daarop
volgde, zou een belangrijk precedent scheppen voor de Amerikaanse
wetgeving rond deze thematiek.

Eén van de dingen waar ‘North Country’ best wel succesvol in is, is
het schetsen van de arbeiderswereld waarin de personages leven.
Josey’s vader (een uitstekende Thomas Curtis) werkt zelf in de
mijn, en gelooft al evenmin als zijn collega’s dat vrouwen daar
thuishoren. Dit zijn niet per sé sléchte mannen, maar wel
exemplaren aan wie de opkomst van het feminisme in de jaren vijftig
en zestig vierkant voorbij is gegaan. Ze zijn harde werkers, die
elke week hun loon mee naar huis nemen voor hun vrouw en kinderen
en verder vooral niet teveel willen worden lastiggevallen. Vrouwen
horen thuis, achter de haard, terwijl de mannen gaan werken, en zo
gaat dat. Zoals de grote baas van de mijn op een bepaald moment
zegt: “Er zijn van die dingen die niet voor vrouwen bestemd zijn,
net zoals er ook dingen zijn die niet voor mannen bestemd zijn. Zo
is het altijd geweest, en zal het altijd blijven.” Wanneer er dan
toch vrouwen in die mijn gaan werken, is dat een inbreuk op hun
territorium – ze voelen zich bedreigd in hun vertrouwde wereldje,
en ze reageren ertegen.

Dat reageren doen ze op manieren die steeds verder gaan.
Aanvankelijk blijft het bij het obligate geflirt, een paar vunzige
opmerkingen en een dildo die op de één of andere manier in een
lunchdoos terechtkomt. Daarna worden er slogans gespraypaint:
“Blowjob, vijf dollar. Slikken vijftig cent.” Charmante
koosnaampjes als cunt en whore worden in stront op de
muren van de vrouwenkleedkamers geschreven. Een draagbaar
vrouwentoilet wordt op z’n zij geduwd, terwijl er iemand
inzit.

Het milieu van de film wordt dus wel degelijk mooi tot leven
geroepen – ‘North Country’ had maar al te makkelijk kunnen
vervallen in een simplistische all men are scum-mentaliteit,
maar dat gebeurt hier niet. Er zijn goeie mannen (Sean Bean in een
zeldzame good guys-rol en Woody Harrelson als minzame
advocaat), en zelfs de arbeiders van de mijn blijven, als puntje
bij paaltje komt, toch nog iets menselijks bewaren.

Het probleem schuilt hem erin dat het scenario nergens echt weet te
verrassen. Aanvankelijk probeert regisseur Niki Caro (die eerder al
‘Whale Rider’ maakte) de boel wat
origineel aan te pakken door met de chronologie te spelen, maar
eens de film goed en wel bezig is, geeft ze die pogingen op. Na
pakweg een half uur verloopt alles simpelweg chronologisch en dat
was dan dat. Daarna gaat ‘North Country’ z’n oerconventionele
gangetje van punt a naar punt b. We zien àlles dat er gebeurt al
van een kilometer afstand aankomen – in die mate zelfs, dat je je
op den duur begint te verbazen over de naïviteit van de
hoofdpersonages dat ze ooit hadden kunnen denken dat het anders zou
lopen.

En niet alleen is ‘North Country’ conventioneel, maar ik kreeg ook
de indruk dat Caro niet altijd goed wist wat ze met haar
nevenpersonages moest aanvangen. De immer geweldige Frances
McDormand speelt Glory, een vakbondsafgevaardigde die zowat de
enige vrouw is die het respect van de mannen heeft kunnen winnen.
Na ongeveer twee derde van de film verdwijnt ze echter – haar
verdwijning wordt verklaard, daar niet van, maar het zou beter zijn
geweest om haar de hele film lang actief bezig te houden, zodat we
naast Josey een tweede sterk hoofdpersonage hadden om het verhaal
mee te dragen. Andere bijrolacteurs komen er nog meer bekaaid
vanaf. Woody Harrelson krijgt te weinig tijd op het scherm om echt
een indruk achter te laten, en dat is zelfs meer dan wat je kan
zeggen van Sissy Spacek als Josey’s moeder. Spacek komt af en toe
eens voorbijlopen, je registreert vaag dat Carrie dan toch nog
mooie kinderen heeft geproduceerd, en daarmee is de kous af.

De problemen met het script worden echter pas serieus voelbaar aan
het einde – dit is een waargebeurd verhaal, ja, maar dan wel zwaar
geromantiseerd, en tijdens de laatste twintig minuten laat zich dat
verschrikkelijk gelden. We krijgen enkele huilerige monologen, een
spectaculaire tirade in een rechtszaal, een stervende die van haar
oren maakt ze not fucking dead yet is, een trauma uit het verleden
dat wordt verwerkt en zelfs enkele verbroederingsscènes. Waar
gebeurd of niet? Geen idee, maar terwijl ik ernaar keek, kon ik de
deodorant van de scenarist gewoon ruiken, zo manipulatief was hij
bezig.

Dat zijn zware problemen, maar gelukkig voor Caro zijn de acteurs
goed genoeg om dat althans gedeeltelijk goed te maken. Theron
brengt enorm veel kracht naar haar rol – nu ze vrij is van de
lederen pakjes en verstikkende CGI van ‘Aeon Flux’, heeft ze weer de gelegenheid
om haar tanden in een rol te zetten, en ze geniet er duidelijk van.
Frances McDormand is uiteraard niet in staat om slecht te acteren,
zelfs al zou ze het willen, en ik heb vooral ook erg opgekeken van
Thomas Curtis als Josey’s vader. De manier waarop hij soms
ergerlijke onwetendheid en kortzichtigheid kan uitstralen, zonder
daarom zijn fundamentele waardigheid te verliezen, is
fenomenaal.

Goede acteurs, een gammel script. De acteurs halen het nét, maar
veel heeft het niet gescheeld.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 3 =