The Treasure of the Sierra Madre

Bij de naam Humphrey Bogart horen meteen een aantal clichébeelden:
de deukhoed, de regenjas, het pistooltje, de snel afgeratelde
dialogen. We stellen ons Bogart voor als één van de eerste, en
meest memorabele anti-helden, getekend door het leven, cynisch,
maar altijd op de één of andere manier in staat om elke situatie
recht te trekken en naar zijn eigen hand te zetten. Niet zo in
‘Treasure of the Sierra Madre’, een film die destijds geen stuiver
opbracht, maar tegenwoordig geldt als één van de allergrootste
Amerikaanse klassiekers. De flop van toen en het succes van nu zijn
een gevolg van hetzelfde feit: Bogart speelt geen Bogart – ditmaal
is hij een loser, die begint als een ongeschoren, ongewassen
bedelaar en eindigt als een waanzinnige, moordzuchtige smeerlap
(nog steeds ongeschoren en ongewassen, overigens). Bogey was, na
jarenlang proberen, eindelijk een grote ster geworden en beloonde
zijn publiek door radicaal tegen z’n imago in te spelen. Men nam
het hem in ’48 niet in dank af, maar de film staat nog steeds als
een huis.

Bogart speelt Fred C. Dobbs, een zwerver die in een klein Mexicaans
stadje van aalmoezen leeft en bevriend is met mede-pechvogel Bob
Curtin (Tim Holt). Op een dag horen ze van old-timer Howard (Walter
Huston) dat er nog steeds goud in de naburige bergen zou zitten, en
ze besluiten om met hun drieën een expeditie op touw te zetten.
Howard, die dit allemaal al eens eerder heeft meegemaakt,
waarschuwt hen dat vriendschappen niet lang blijven bestaan eens er
goud bij betrokken is, maar Dobbs en Curtin geloven –
vanzelfsprekend – immuun te zijn aan goudkoorts.

Regisseur John Huston (de zoon van Walter, die Howard speelt),
maakte z’n eerste film samen met Bogart: ‘The Maltese Falcon’. Die
prent was toen voldoende om hun beide carrières voor eens en voor
altijd te lanceren, en het moet gezegd worden, de manier waarop
Huston ‘The Treasure of the Sierra Madre’ wist te plotten, getuigt
van enorm veel verteltalent. Om te weten hoe strak een scenario in
elkaar zit, volstaat het in principe om je van elke scène af te
vragen wat ze nu eigenlijk toevoegt aan het verhaal. Kan ze worden
weggelaten? In ‘Treasure of the Sierra Madre’ heb ik zo’n scène
niet gevonden. Neem bijvoorbeeld een sequens aan het begin van de
film. Dobbs en Curtin zijn ingehuurd door een plaatselijke zakenman
om enkele dagen voor hem te werken – eens ze weer terug zijn in het
dorp, zullen ze uitbetaald worden. Vanzelfsprekend zet de zakenman
het op een lopen wanneer het op betalen aankomt, maar Dobbs en
Curtin ontmoeten hem toevallig weer in een saloon. De beide
zwervers slaan hem vervolgens tot pulp en nemen hun geld. Waarom al
dat gedoe met dat werk, waarom die vechtscène? Wel, de scènes
waarin ze gaan werken tonen aan dat ze, vooraleer naar goud te
zoeken, wel degelijk geprobeerd hebben om op een normale manier aan
geld te komen, dat spreekt voor zich. Interessanter is de
gevechtscène, die voor die tijd relatief gewelddadig was. Dobbs
geeft de bedrieger niet, zoals hij dat in één van z’n
detectivefilms zou doen, één mep waarmee de ander op de grond ligt,
neenee, het halve meubilair van het café gaat eraan en de twee
mannen beuken om de beurt op hem in. Op dàt moment krijgen we al
een glimps van het geweld waartoe beide mannen, vooral Dobbs, in
staat zijn. Dit zijn geen lieverdjes, en Huston weet dat punt snel
en goed duidelijk te maken. En dàt is dus scenarioschrijven in
functie van de personages.

De rest van de film brengt in feite de mentale en morele ondergang
van Dobbs in beeld, die langzaam maar zeker tenonder gaat aan
allesoverheersende hebzucht. De roman waarop de film werd
gebaseerd, geschreven door de mysterieuze B. Traven, was een
openlijke kritiek op materialisme – goud is alleen te krijgen in
ruil voor je ziel – en hoewel de parallellen met het
kapitalistische systeem ietwat werden afgezwakt voor de film (wat
wil je dan ook, in een Amerika dat net volop begonnen was aan een
communistenjacht?), zit die kritische noot er wel nog altijd in.
Naarmate de buit aan goud groter wordt, wordt Dobbs steeds meer
paranoïde over z’n schuilplaatsen. Hij vertrouwt z’n partners voor
geen haar meer, tot hij uiteindelijk met een getrokken pistool
tegenover hen staat. Bogart speelt met Fred Dobbs wellicht de beste
rol uit z’n carrière – hij bouwt de waanzin van z’n personage zeer
subtiel op. Gedeeltelijk zit de kracht van die rol ook weer in het
scenario, dat op een bijzonder effectieve manier de progressie van
Dobbs gekte weet weer te geven, maar het is toch Bogey maar die het
moet spelen. De energie die hij uitstraalt, de krankzinnigheid in
z’n ogen, zijn perfect getroffen.

Walter Huston kreeg destijds een oscar als Howard, en fungeert hier
min of meer als een soortement Grieks koor. Hij wéét op voorhand
wat er gaat gebeuren, hij heeft al eerder gezien hoe mensen ten
prooi vielen aan goudkoorts. Aan het begin van de expeditie zien we
Dobbs en Curtin bespreken hoe ze hun geld zullen samenleggen om
ezels en gereedschap te kopen, want ze zijn tenslotte toch
vrienden. Enthousiast in hun cameraderie schudden ze elkaar de
hand, en boven die twee handen zien we Huston zitten, met een
scheve grijns op zijn gezicht. Hij weet dat dit niet zal blijven
duren. Over de loop van de hele film weet hij ons op voorhand te
zeggen wat er zal gebeuren: “We verdelen het goud nu, en binnenkort
zullen we alledrie op zoek moeten gaan naar plekken om het weg te
steken. Dan gaan we tien, twintig keer per dag die plek controleren
om zeker te zijn dat een ander ‘m niet gevonden heeft.” En ja hoor.
“We zoeken door tot we ieder 25.000 dollar hebben, dat is het plan.
Maar eens we dat hebben, zullen we toch méér willen.” En ja hoor.
Walter Huston is de oude, wijze stem van het gezond verstand die
perfect beseft dat de hebzucht zal toeslaan op de expeditie, maar
toch het risico neemt – misschien omdat hij denkt te zullen kunnen
vermijden dat het allemaal definitief uit de hand loopt.

Op die manier wordt ‘Treasure of the Sierra Madre’ niet zozeer een
avonturenfilm, als wel een tragedie over de onvermijdelijke
ondergang van één personage. Iedereen die een beetje oplet, weet
vanaf het begin dat het onmogelijk goed kan aflopen met Dobbs, en
Huston is moedig genoeg om de consequenties van z’n verhaal te
trekken. Ongehinderd door producerende studio Warner Brothers,
maakte hij de film zoals hij dat wilde: negatief en deprimerend,
met een einde dat zo bitter ironisch is, dat het bijna lijkt alsof
de hand van God zelf heeft ingegrepen. Erg vrolijk dreigt u er niet
van te worden, maar het resultaat is wel een onsterfelijke
klassieker over menselijke zwakte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − 4 =