Styrofoam :: ”Ik maak liever interessante muziek dan experimentele”

Een ster gaat hij nooit worden, en dat wil hij ook niet. Toch ziet het er naar uit dat Arne Van Petegem met zijn vierde Styrofoam-plaat een stapje over de grens heeft gezet. Niet langer zijn zijn laptopsongs breekbaar en een beetje verlegen; met de hulp van jonge goden als Ben Gibbard en Bent Van Looy is de overstap naar mainstream radio gemaakt. With a little help from AB ook, want als zij het hem niet hadden gevraagd, had die vierde Styrofoamplaat dan nog wat op zich laten wachten?

Arne Van Petegem: "Ik heb gezegd dat ik niet wist of ik zo rap een nieuwe plaat zou hebben gemaakt. Nu was er door het voorstel van de Ancienne Belgique een heel strikte deadline want Nothing’s Lost moest op een bepaald moment uitkomen. Als je weet dat er vier maanden liggen tussen het masteren van een plaat en de release, moet je gewoon even rekenen. Ik telde dus gewoon terug wanneer ze af moest zijn en dat was een heel krap schema. Materiaal had ik wel al want ik was constant nieuwe nummers aan het maken toen die vraag kwam, die tijdsdruk heeft gewoon het afwerkingproces versneld."
"Het idee van de AB was om een concert te doen met allerlei gastmuzikanten. En omdat ik toch veel vooraf moet programmeren, lag het voor de hand om dan ook maar meteen een plaat te maken. Het eerste idee was om met Belgische zangers te werken, maar bij het doorpraten kwam ik er op uit dat ik door mijn tournees eigenlijk meer mensen in het buitenland ken dan hier. De namen die het eerst bij me opkwamen om mee samen te werken zijn degenen die uiteindelijk ook op de plaat hebben meegedaan."

enola: Was je niet bang dat je door met Ben Gibbard samen te gaan werken het verwijt zou krijgen het succes van The Postal Service achterna te lopen?
Van Petegem: "Ergens wel. Ik ken Ben echter al lang, van voor het succes van The Postal Service. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet toen ik lang geleden voor een label uit San Diego een split single deed met DNTEL (het hoofdproject van Jimmy Tamborello, de andere helft van The Postal Service, mvs). Ik ging op vakantie in Californië en logeerde een weekend bij Jimmy. Hij vertelde me dat hij ook een kameraad uit Seattle op bezoek had omdat ze samen aan een plaat aan het werken waren voor een nog naamloos project. Dat was dus Ben Gibbard en toen ik er ’s avonds mee op café trok bleek hij in Death Cab For Cutie te spelen, een groep die ik toen enkel van naam kende."

enola: Een beetje verbazend toch: toen je aan jeugdheld Bob Mould (van Hüsker Dü en Sugar, mvs) vroeg om mee te werken, bleek hij je platen te kennen.
Van Petegem: "Mij verwonderde dat ook wel, maar het grappige is dat ik op mijn laatste tour door de Verenigde Staten veel vroege helden van mij tegenkwam in het publiek. Vooral in New York was dat zo met Yo La Tengo, en in Boston met Marc Robinson van Unrest en Air Miami. Te gek natuurlijk."
"Op mijn vijftiende heb ik in een platenwinkel in de buurt Zen Arcade van Hüsker Dü gekocht. Zeggen dat dat mijn leven heeft veranderd is overdreven, maar het scheelt toch niet veel: die plaat heeft de manier waarop ik tegen muziek en muziek maken aankijk gekleurd. Als diezelfde persoon je dan vijftien jaar later zegt dat hij al je platen heeft en een grote fan van je is… dan kun je alleen maar glimlachen tot achter je oren. Jammer genoeg kon hij niet meewerken aan Nothing’s Lost: hij heeft ergens halverwege moeten afhaken wegens tijdsgebrek."

enola: Toch vreemd dat hij je werk kende, als je ziet wat zijn achtergrond is, niet?
Van Petegem: "En toch ook niet. Uiteindelijk heb ik ook heel veel muziekstijlen gespeeld: op mijn twintigste speelde ik in een hardcoreband en traden we op met groepen als Fugazi en Jawbox. Ik verschiet er zelfs van hoeveel van die mensen die toen dat soort muziek maakten nu bijna een parallel traject aflegden. Zeker in de Verenigde Staten is dat zo: ik kom ze nog altijd tegen en eigenlijk vind ik die evolutie niet zo bizar. Dat zou het eerder zijn als ik na vijftien jaar nog steeds dezelfde muziek zou spelen."
"Dat schoot me trouwens terug te binnen toen ik een paar jaar geleden met Notwists op tour was door de V.S.: zo’n tien jaar geleden speelde ik in Duitsland met mijn hardcoregroep in hun voorprogramma toen ze zelf ook nog dat soort muziek speelden en lange dreadlocks hadden. Ik was dat totaal vergeten, maar al dagdromend op de tourbus herinnerde ik me plots dat optreden in de Subkultur in Koblenz."

enola: Tussen A Short Album About Murder en I’m What’s There To Show That Something’s Missing gooide je twee platen weg. A Short Album… zelf was dan weer het resultaat van het bijeensmijten van materiaal voor meerdere projecten. Je was nog op zoek naar wie of wat Styrofoam was en schuwde de impulsieve beslissingen niet?
Van Petegem: "Het was me in die periode niet duidelijk of Styrofoam mijn uitlaatklep voor elektronica zou zijn en of ik daarnaast als Tin Foil Star nog dingen met zang zou blijven doen. Dat waren twee dingen waar ik in het begin parallel mee bezig was en gaandeweg daagde het me dat het enige verschil nog het al of niet gebruiken van zang was. Het onderscheid tussen de twee projecten was dus eigenlijk niet meer relevant en toen nam ik de beslissing om het materiaal voor een nieuwe Styrofoam-EP en Tin Foil Starnummers die klaar waren samen tot één Styrofoam-album te ballen. Dan had je nog een coherent album over. Aangezien ik toen al bij Thomas (Morr, platenbaas van het Morr Musiclabel, mvs) in Berlijn was voor de mastering was die beslissing snel te nemen."
"Dat ik daarna twee platen naar de prullenbak heb gesleept kwam doordat ik me plots ernstig begon af te vragen wat voor mij de volgende Styrofoam-plaat moest zijn. De eerste twee platen waren héél snel na elkaar uitgebracht — op een jaar tijd — en ik begon meer en meer mensen te bereiken. Wat ik aan nieuwe songs had vond ik niet goed genoeg voor een volgend album, zeker niet omdat je toen een enorme opleving van de elektronicascene had. Er kwam zoveel uit, en ik vroeg me af wat mijn platen nog bijdroegen. Dus schrapte ik twee platen, al kwam de helft van het materiaal wel uit op singles en EP’s. Het was als geheel echter niet de derde Styrofoamplaat."

enola: Wat zorgde dan voor de klik die tot die derde plaat leidde?
Van Petegem: "Gewoon blijven verder werken: uitpuren waar je mee bezig bent, op een bepaald moment terugkijken en zien dat je niet één stap verder staat maar dat je meerdere stappen hebt genomen. Toen was ik waar ik wel wilde zijn. Dat ik terug gitaar was beginnen spelen was daarbij een belangrijk moment: de platen daarvoor was ik erg gefocust op het programmeren op de computer en door opnieuw een gitaar vast te nemen was ik gedwongen dat wat los te laten."

enola: Na de release van die derde plaat, I’m What’s There…, ben je gaandeweg terug met een groep gaan spelen. Had dat zijn invloed op het creatieproces voor Nothing’s Lost?
Van Petegem: "Er is een groot verschil tussen hoe ik nu live optreed en hoe ik na I’m What’s There.. speelde. Niet dat ik nu de inbreng van mijn toenmalige muzikanten wil minimaliseren, want het was heel fijn met hen. Aanvankelijk speelde ik enkel laptopshows ook nog na de release, en pas op iets later zijn er muzikanten met diezelfde set en dezelfde nummers beginnen meespelen. Het bleef dus voornamelijk een laptopconcert met aanvulling van muzikanten. Nu speel ik een volledig nieuwe set waar we als groep spelen. Hun invloed op de volgende dingen die ik ga doen gaat wel groot zijn. Door met andere mensen samen te werken voor Nothing’s Lost en de plaat van The Go Find heb ik wel zin gekregen in samenwerkingen, om niet meer alles alleen te doen."

enola: Er was een periode dat je zei dat je geen zin meer had om in de schijnwerpers te staan en je dus achter die laptop terugtrok. Als ik je nu live zie lijkt die tijd voorbij te zijn, je bent opnieuw een echte frontman.
Van Petegem: "Dat is zo en ik voel mij er wel comfortabel bij. Ook dat is het gevolg van een evolutie: elektronica was lang een gezichtsloos genre gebracht door een onzichtbare man achter de knoppen. Zodra je echter begint te zingen komt er meer identiteit bij, dan komt één iemand tevoorschijn uit de stem en de teksten."
"Nu, buiten het feit dat ik jarenlang platen heb gemaakt die volledig elektronisch gemaakt werden, heb ik me altijd honderd keer meer verwant gevoeld met de Britse of Amerikaanse indierockscene. Ik heb nauwelijks iets met de technoscene te maken gehad."

enola: Een parallelle evolutie is dat het genre van de indietronics uit het Duysterghetto aan het groeien is. "Crossing over", heet dat, van de marge de mainstream binnenstappen. Had je verwacht dat jouw soort muziek daar potentieel voor had?
Van Petegem: "Verwacht had ik het niet echt, maar dat is ook moeilijk. Ik vind de benoeming van het genre ’indietronics’ ook zo vreemd, of toch hoe er mee wordt omgegaan. Uiteindelijk maak ik gewoon popmuziek waar ik bepaalde elektronische middelen voor gebruik, maar afgezien daarvan verschilt mijn muziek niet zoveel van andere groepen. Het is meer een etiket dan iets anders, die genrenaam, en ik heb zeker nooit de behoefte gevoeld de grootste credibiliteit te hebben van die zuivere elektronicascene."

enola: Je kreeg ze even zonder vragen, maar met je laatste platen raakte je ze snel weer kwijt. Recensies van Nothing’s Lost gingen zo ver in hun nijdigheid als je te verwijten schadeloze middle of the roadmuziek te maken.
Van Petegem: "De recensie ken ik en ze zegt alles. Zodra je een computer gebruikt om muziek te maken word je verondersteld experimenteel bezig te zijn. Terwijl dat meestal uit niet meer bestaat dan te voldoen aan een aantal criteria waar al die zogenaamde vernieuwende groepen en acts aan beantwoorden. Voor mij houdt experimenteel daarentegen in dat je iets onverwachts doet. Ik heb nooit de behoefte gehad me zo te bestempelen en ik vind het ook een verschrikkelijk woord: ik maak liever interessante muziek dan experimentele. Als ik muziek maak, vraag ik me niet af wat mag of niet. Al ben je daar onbewust wel mee bezig: er is altijd een kader waarbinnen je werkt."

enola: Als ik "Anything" hoor dan heb ik zelfs de indruk dat je de elektronicapolitie nog wat extra wilde jennen met zo’n stampertje.
Van Petegem: "Oh neen: de instrumentale versie van dat nummer bestond zelfs al heel lang. Dat nummer hebben we vroeger zelfs al veel live gespeeld maar met een heel andere zanglijn van mij. Bent heeft die rechtdoor beat er wel bij geprogrammeerd en dat geeft er natuurlijk wel een hogere Bent Van Looyfactor aan."
"Het is wel grappig hoe dat nummer er uit springt als je de recensies er op naleest — en ik doe dat wel eens hobbygewijs — hoe diametraal tegenovergesteld de meningen zijn. Ook over die bijdragen van Alias is veel te doen. Voor mij is een stuk rap de normaalste zaak van de wereld omdat ik zelf veel naar hiphop luister en geen onderscheid maak tussen rap of zang, maar de ene keer lees je dat ze perfect in het nummer geïntegreerd is, terwijl een ander zich afvraagt of ik Limp Bizkit achterna wil gaan."

enola: Je plant ook een apart project met rap met Fat John. Hoe zal dat klinken?
Van Petegem: "Dat is een heel evenwichtige samenwerking: het is zeker niet zo dat ik de muziek maak en hij er op rapt. We maken alle nummers samen en hij mc’t vervolgens stukken, ik zing wat zanglijnen,ƒ. De plaat is voor driekwart af, het is nu gewoon nog een kwestie van tijd om die af te werken. We hopen ze nog dit jaar uit te kunnen brengen, maar we zijn allebei erg druk bezet."

enola: Tot slot: je liet ooit verstaan dat je wel eens een project zou zien zitten waarbij je met blazers en strijkers zou optreden wiens input je live ook zou manipuleren. Wanneer komt het ervan?
Van Petegem: "Ik zou het in elk geval graag eens doen. Bedankt om me er aan te herinneren want ik was dat eigenlijk al wat vergeten. Ooit zal dat er wel van komen als de gelegenheid zich voordoet."
enola: Dertig jaar Ancienne Belgique?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + twintig =