Schultze Gets the Blues




Zo nu en dan verlaat je de zaal en weet je niet wat je gezien hebt,
laat staan wat er de bedoeling van was. Meteen daarna begin je dan
te twijfelen – was hij nu goed, of was hij nu slecht? Zou beide
kunnen? Kan een film terzelfdertijd oersaai en verbazingwekkend
fascinerend zijn? Blijkbaar wel, want nog steeds bekruipt me een
dubbel gevoel – bereid je dus voor, dit is een buitenbeentje.

Toen de VRT naar aanleiding van 50 jaar tv zijn oude programma’s
nog eens uitzond, klonken er her en der stemmen dat vroeger alles
trager ging. Je kan natuurlijk ook stellen dat men vroeger de tijd
nam om iets uit te beelden. Neem nu bijvoorbeeld de openingsscène
van ‘Wij, Heren van Zichem’: we zien Pastoor Munte in de verte naar
ons toekomen. Meer gebeurt er dus niet in de eerste 2 minuten, we
zien enkel maar een personage steeds dichterbij komen. Wie daar
niet tegen kon, laat beter ‘Schultze Gets the Blues’ aan zich
voorbijgaan – die hele film is namelijk doorspekt van dat soort
momenten, sterker nog, hij begint met ééntje.

We openen met het beeld van één van de wieken van een moderne
windmolen. Dan verbreedt het beeld zich en zien we hem in z’n volle
glorie staan. Vervolgens horen we enkele fietsers aankomen, die ook
verschijnen aan de rechterzijde van het beeld. Daarna blijft het
beeld zo totdat ze aan de linkerzijde zijn verdwenen. Niet iets wat
je heden ten dage gewend bent, maar zo ben je ook meteen
gewaarschuwd: deze prent vergt een verregaande inspanning van de
kijker.

De drie berijders van de fietsen zijn: Schultze, Jürgen en Manfred,
allen werkers in de plaatselijke mijn. Ze rijden samen naar het
werk, werken op dezelfde plaats in de mijn, rijden weer naar huis,
gaan samen vissen, kortom, ze doen alles samen. Op een dag echter
komt er een einde aan hun vertrouwde leventje wanneer ze op
pensioen worden gestuurd. Voor Schultze betekent dit concreet dat
hij niet meer naar het werk moet alvorens op café te gaan, en dat
hij zich weer kan toeleggen op het accordeon spelen. Door het
overschot aan tijd begint hij ook wat te experimenteren – voor je
‘t weet, speelt hij heel wat anders dan zijn oude vertrouwde
hoempapa-muziek. Geïnspireerd door een deuntje dat hij tijdens een
slapeloze nacht hoorde, brengt hij wat meer tempo in zijn spel.
Onnodig te zeggen dat de collega’s van de muziekvereniging er niet
mee opgezet zijn.

Schultze laat het echter niet aan zijn hart komen en begint te
sparen om de bron van zijn nieuwe geluid op te zoeken: Amerika.
Aanvankelijk worden zijn plannen gedwarsboomd door een
prijsstijging, maar dan steekt zijn muziekclub een handje toe: hij
is uitverkoren om naar de Amerikaans zusterstad te vertrekken, om
aldaar (het zijn Duitsers of het zijn het niet) het ‘Wurstfest’ op
te luisteren.

En vanaf dat ogenblik raak je maar al te makkelijk de draad kwijt.
Het eerste uur presenteert zich als een sociaal drama, met hier en
daar de nodige kwinkslag, maar aangekomen in Amerika verschuift de
stijl naar iets dat eerder documentarisch lijkt, zelfs een beetje
zoals je dat gewend bent van ‘In de Gloria’. Schultze trekt erop
uit, op zoek naar iets – maar naar wat? We weten dat hij allerhande
plaatselijke figuren ontmoet, dat hij ergens een bootje vindt en
daarmee de krabrijke wateren verkent, maar wat zijn doel is, daar
hebben we het raden naar. Het verhaal is samen met Schultze
vertrokken, en geen van beiden kijken daarna nog terug.

Het minste wat je van Horst Krause kan zeggen is dat hij een immens
sympathieke Schultze neerzet. Zijn personage is een altijd beleefd
persoon, die steevast de hoed afneemt bij een ontmoeting, en die
respect heeft voor alles en iedereen. Het is Krause die je de hele
tijd mee op sleeptouw neemt en ervoor zorgt dat je toch een klein
beetje wilt weten waar dit alles naar toe gaat. Het is dan ook
jammer dat blijkbaar niemand het antwoord op die vraag heeft, zelfs
regisseur en schrijver Michael Schorr niet. We weten en merken dat
Schultze de blues krijgt – door het trage tempo voelt het zelfs aan
of je zelf ook slachtoffer wordt van dat virus, maar daar houdt het
dan ook mee op. Het verhaal bloedt stilletjes dood, het wordt zelfs
zo erg dat er van een verhaal helemaal geen sprake meer is en dat
je nog enkel zit te wachten op een einde.

‘Schultze Gets the Blues’ is een verdraaid ongewone prent. Ten
eerste omdat hij bij momenten het meest vervelende is dat je ogen
ooit al aanschouwd hebben, ten tweede omdat het tegelijk zo intens
fascinerend is. Deze combinatie, aangevuld met een snuifje droge
humor, zorgt dat de film niet helemaal een maat voor niets is, maar
echt geslaagde cinema kun je dit bezwaarlijk noemen. Aan de éne
zijde ben je blij dat je er vanaf bent, en aan de andere kant ben
je blij het gezien te hebben.

http://www.schultzegetstheblues.de/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 5 =