múm :: 16 april 2004, AB

Finally, We Are No One, zo heet één van de cd’s van het IJslandse múm. En nietigheid, dat is het enige dat een mens kan plaatsen tegenover zoveel genialiteit. Geconfronteerd met de naïeve vanzelfsprekendheid van deze kwetsbare en complex verweven speeldoosmelodietjes, rest enkel het besef van het eigen onvermogen. Wat baat het dan een middelmatige recensie te schrijven? Een mens kan beter zwijgen.

Maar ach, het daar bij houden is ook maar een gimmick. Een gemakkelijkheidsoplossing. En dus zoekt een mens toch weer eens naar woorden in een klungelige poging te beschrijven wat múm teweeg brengt. Aan een oordeel gaan we ons niet eens wagen. Een recensent voelt zich vaak geroepen tot streng evalueren, zeldzaam zijn de optredens die hem de grond onder de voeten wegmaaien en met de neus op zijn onbeduidendheid drukken. Wat rest, zijn flarden.

Indrukwekkend is vooral het gemak waarmee de — zelfs na drie albums nog steeds erg jonge — groepsleden dit soort muziek brengen. Met dodelijke ernst en uitgestreken gezichten staan ze op het podium, wisselen ze van instrumenten en weven ze laagje na laagje hun fragiele soundscapes. En dan toch: de olijke onverschilligheid waarmee ze een technisch mankementje opvangen en het gespeel met de belletjes in het eerste bisnummer, halen die sérieux met een grijns onderuit. Múm lijkt bol te staan van tegenstellingen, zou dan het cliché moeten luiden – maar doet het dat wel? Niets botst immers, alles schuift naadloos in elkaar.

Is het de stilte in de nummers die de boel aan elkaar houdt, de ruimte die gegund wordt? Ze is alleszins belangrijk voor múms aantrekkingskracht. Niet dat het geluid van de groep zo ijl of leeg is, maar er zit een fragielheid in die ontroert. Zeldzame bombastische momenten worden meestal omringd door bijna etherische, spaarzame melodieën. Een Sigur Rós, die wel de laptop maar niet Godspeed You! Black Emperor heeft ontdekt.

Op hun vorige platen maakte múm wel eens tot geluidsbehang verworden elektronica-gebliep waar een deftige songstructuur in ontbrak, op hun nieuwste Summer Make Good, is dat al heel wat minder het geval. De groep heeft bijna liedjes leren schrijven, en dat komt hun geluid heel wat ten goede. En dus prevelt Kristín Anna Valtysdóttir haar lalala’s, haar teksten met dat typisch IJslands accent… terwijl de anderen rond haar soundscapes weven met nu eens een melodicalijn, dan weer een cello. En verrassend: regelmatig ook een trompet die prachtige melodielijnen over de clicks, cuts en andere samples strooit. Live komt het allemaal nog beter uit de verf. Van bij de opkomst in het duister, de eerste fluisteringen, het geluid van golven op de rotsen, zit het juist. De groep dompelt je onder in een sfeerbad dat tintelt tot in je ziel.

Is de nieuwe plaat duisterder dan de vorige? In zekere zin, maar dan niet in een doemerige gothic-betekenis. Er spreekt meer liefde uit voor de nacht dan vrees. Het is geen emotioneel climaxen najagen als Sigur Rós doet, hier telt sfeer. Ondergaan. Vanop het podium verspreidt múm een vredigheid die je kunt verwarren met new age, maar met Celestijnse Beloftes heeft dit niets te maken. Het is gewoon dromerigheid omdat dat nu eenmaal in hun karakter ligt.

En toch schuilt er onder die vredigheid een poel van onrust. Múm blaast je niet van de sokken. Je bent niet tot het bot ontroerd, noch ga je op in de heftigheid van een crescendo. Niettemin wandel je naar huis met losgewoelde ondergrond. Zoveel geniale eenvoud ondergraaft zekerheden. Gaat dieper dan ontroering. Múm raakt je in je diepste wezen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vijf =