Patti Smith :: 26 maart 2004, Bozar :: Rock ‘n Rimbaud

Dat Patti Smith ooit iets met Rimbaud zou doen, lag voor de hand: al op haar eerste concert reciteerde ze één van zijn gedichten, op haar debuut ging het van "Go Rimbaud!". Toen ze dus de hort op trok ter promotie van haar te verschijnen nieuwste plaat én Bozar een grootse Rimbaud-tentoonstelling opzette, was een speciale avond geboren: Rock ’n Rimbaud. Een te grote vlag voor de lading, maar als Patti Smith concerteert mag je sowieso iets verwachten. Een vijfsterren-recensie? Zes, verdorie!

Patti Smith maakt enkel nog een plaat als ze iets te zeggen heeft. En als Bush junior zijn zin doordrijft, dan is er veel om kwaad over te zijn. En dus komt er binnen een maand een nieuwe plaat van Smith uit: Trampin’. Het touren ter promotie wil ze zoveel mogelijk concentreren in de V.S. — waar ze haar publiek meteen tot deelname aan de verkiezingen wil stimuleren. Maar eerst is er promo te doen in Europa. Ze doet slechts drie concerten en in Bozar was dat een exclusieve akoestische avond, opgedragen aan haar held Arthur Rimbaud die 150 jaar geleden geboren werd.

"We spelen veel materiaal van Easter vanavond", licht Smith halverwege toe, "maar dat komt omdat die plaat voor mij zoveel met Brussel te maken heeft." En Brussel zoveel met Rimbaud natuurlijk. Er is dan ook een nummer opgedragen aan "The Beautiful Children Of Brussels" (tevens een oud nummer van haar dat nooit een plaat haalde); en passant werpt ze modeontwerpster Ann Demeulemeester weer maar eens een complimentje toe.

Uit die derde plaat uit 1978 diept ze een aantal oudjes op die al even niet meer werden gespeeld. Zo opent de avond na een passage uit Rimbauds "La Bohème", met een — ondanks de akoestische bezetting — stevig "Privilege (Set Me Free). Al snel volgt "Break It Up" uit het debuut Horses, dat ooit insloeg als een bom. Maar het interesseert Smith in deze eerste helft van het concert niet het publiek te geven wat het wil, en dus volgen trage, gedragen nummers als "Wing" en "Beneath the Southern Cross", maar ook het bezwerende "Ghost Dance" dat een prachtige akoestische versie meekrijgt.

Er is echter ook een nieuwe plaat te promoten, en dus krijgen we al een voorsmaakje met het sterke "My Blakean Year". "Iemand zou het verband tussen de Engelse dichter Blake en Rimbaud eens moeten bestuderen", stelt ze. "En alsjeblieft: stuur mij een exemplaar van die thesis." Afgaand op dat ene nummer, zou Trampin’ wel eens heel erg goed kunnen zijn.

Met "Frederick" worden dan eindelijk de hits aangesneden waar het publiek duidelijk op zat te wachten. Grappig is hoe elke bekende intro door de toeschouwers de vernieling wordt ingeklapt terwijl al snel blijkt dat de songs (gelukkig!) zo meeklapbaar niet zijn. Voor "People Have the Power" omgordt Smith een vredesvlag en plots is het kippenvel er: twee weken na de collectieve Spaanse "Fuck You" tegen "Mister Anzar" klinkt het uit alle kelen meegezongen "it’s decreed the people rule" nog meer waar dan anders. Eindelijk komt het publiek ook uit de zetels en weer wordt het wat potsierlijke karakter van rock — zelfs akoestisch — in een theatersetting duidelijk.

"Because The Night" wordt nog verplicht afgewerkt, maar dan zet Smith de kers pas echt op de taart. Met drummer Jay Dee Daugherty brengt ze voor het eerst sinds 1978 "Easter", daarna is het tijd voor "Land", het drieluik dat de kern van Horses vormde. Smith gooit zich in de strijd, laat zich leiden door de opzwepende cadans van het nummer en werpt zich in dat ondertussen platgeciteerde "Go Rimbaud! Go Rimbaud". De zaal volgt, meer nog; gaat uit zijn dak wanneer uit het afgebouwde nummer een aanvankelijk bijna onherkenbaar "G.L.O.R.I.A." komt gekropen. Het is een daverend orgelpunt, één dat doet snakken naar de elektrische Smith zoals ze deze zomer op het Cactusfestival te zien zal zijn. Er zijn weinig data die minder rood omcirkeld horen te worden als die 9 juli.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 20 =