Dot The I




In de film ‘The Blair Witch Project’, wordt één van de
personages erop aangesproken dat ze steeds maar alles loopt te
filmen. Samen met twee anderen is ze verloren gelopen in een
oneindig bos vol onheilspellende geluiden en terwijl hun situatie
steeds wanhopiger wordt, blijft ze hardnekkig alles bekijken door
haar camera. ‘Ik weet wel waarom je dat doet,’ zegt één van de
anderen tegen haar. ‘Door die camera ziet alles er minder echt uit.
Kun je er afstand van nemen.’ Die uitspraak vormt de essentie
achter ‘Dot The I’, de film waarmee Gael Garcia Bernal, de
Mexicaanse dekhengst uit ‘Amores
Perros’
en ‘Y Tu Mama Tambien’
zijn Engelstalig debuut maakt. ‘Dot The I’ is het soort prent
waarover je eigenlijk al te veel verteld hebt als je zegt dat het
een thriller is. Om er optimaal van te genieten, zou u dus in feite
deze recensie helemaal niet mogen lezen – het is een goede film,
geen meesterwerk, maar zeer genietbaar. Voilà. Zij die slim zijn,
houden nu op met lezen en gaan kijken. Alle anderen zijn
gewaarschuwd.

Argentijnse schone Natalia Verbeke speelt Carmen, een jonge
Spaanse die na een hardhandig treffen met haar ex-vriend naar
Engeland is verhuisd. Daar heeft ze de rijke en monumentaal saaie
Barnaby leren kennen, gespeeld door James D’Arcy – gerustgesteld
door het veilige, huiselijke leventje dat hij te bieden heeft, gaat
ze akkoord met hem te trouwen. Op haar vrijgezellenfuif echter,
ontmoet ze Kit (Bernal), een man die alles is wat haar verloofde
nooit zou kunnen zijn: mysterieus, opwindend, aantrekkelijk. Over
de volgende paar dagen ontwikkelt er zich een vreemde
driehoeksrelatie, waarin Carmen moet kiezen tussen een verzekerd
bestaan met Barnaby of een avontuurlijk leven met Kit.

Dit alles is niet de plot van ‘Dot The I’ – het is enkel het
uitgangspunt. En niet eens zo’n boeiend uitgangspunt, wat dat
betreft. De eerste 45 minuten van deze film overstijgen nauwelijks
het niveau van een doodordinaire weekendfilm. Het toevallige
treffen tussen Kit en Carmen komt geforceerd over, hun dialogen
klinken hol en vooral James D’Arcy als Barnaby is een ronduit
pathetische figuur. Je zit daar in dat publiek en je vraagt je af
waarom Carmen nog aarzelt om die melkmuil in de steek te laten.

Het verhaaltje – sowieso al niet bepaald een toonbeeld van
originaliteit op dat punt – wil maar niet tot leven komen. Het
enige punt waarop er nog een beetje te lachen valt, is een
heerlijke hommage aan ‘The Graduate’, wanneer Kit besluit om het
huwelijk van Carmen te bestormen in zuivere Dustin Hoffman-stijl.
Hij bonkt op de ramen van het gemeentehuis om haar aandacht te
lokken, enkel om van een stoïcijnse functionaris te horen te
krijgen: ‘Double glass. It’s a bitch.’ Kijk, dàt is dus
geestig. Maar het is ook het enige dat de boel een beetje tot leven
doet komen tijdens die eerste helft – 45 minuten van weinig
boeiende personages die zich doorheen een aantal lamlendige
soaptoestanden bewegen.

Maar dàt is enkel de eerste helft. Daarna echter, neemt het hele
verhaal een wending van heb-ik-jou-daar, en dàn wordt het plots
allemaal heel wat interessanter. Die hele eerste helft valt plots
in z’n plooi, we merken dat het niet anders had kunnen zijn dan
juist zo. Het zou crimineel zijn op de twist te verraden, maar het
mooie eraan is juist, dat alles wat er daarna gebeurt, strikt
genomen niet inconsistent is met de karakters van de personages.
Natuurlijk moet je alles met een korreltje zout nemen, je ongeloof
opschorten is nooit een slecht idee, maar binnen de grenzen van wat
het genre toelaat, worden de regels van de logica nooit écht met de
voeten getreden. We kunnen ons inbeelden dat wat we zien gebeuren,
misschien, eventueel, nog wel mogelijk zou zijn.

Regisseur en schrijver Matthew Parkhill probeert met de wending
die de plot uiteindelijk neemt, een commentaar te leveren op de
invloed van fictie op de realiteit en omgekeerd – zoals de
personages uit ‘The Blair Witch Project’ het al zeiden: als je naar
iets kijkt door een camera, wordt de werkelijkheid haast
automatisch gefilterd tot fictie. Je kunt er afstand van nemen, de
omvang ervan wordt meer hanteerbaar. Maar als je jezelf daar te ver
in laat gaan, kan de grens tussen beide behoorlijk gaan
vervagen.

Een dergelijke uitleg doet de film er ongetwijfeld pretentieuzer
uitzien dan hij is – in de eerste plaats is ‘Dot The I’ een zeer
degelijke thriller, en alle verdere beschouwingen zijn optioneel,
ontworpen voor mensen zoals ik, die nu eenmaal graag de indruk
wekken dat ze erover hebben nagedacht. Een nieuwe thematiek is het
trouwens ook niet – Parkhill heeft duidelijk goed gekeken naar het
werk van Brian De Palma, een regisseur die het graag en vaak had
over gelijkaardige onderwerpen, nooit met meer succes dan in zijn
meesterwerkje ‘Blow Up’. Parkhill recycleert die ideeën, maar doet
dat over het algemeen op een boeiende, inventieve manier.

‘Dot The I’ komt, verrassend genoeg, nergens geforceerd over –
ten eerste omdat de plotwendingen nooit echt uitzinnig worden, maar
ten tweede ook omdat de regisseur wist wanneer hij zich moest
inhouden. Visueel kiest hij zelden of nooit voor overbodig
opgesmukte stijlgrepen. Er wordt regelmatig overgeschakeld naar 8
mm videotape, maar dat is elke keer gerechtvaardigd door het
verhaal. En er is één overgang naar een flash-back die erg knap
gedaan is, maar voor het overige houdt Parkhill het simpel – geen
ijdelheidsshots, een functionele stijl. Bovendien weet hij ook
wanneer het genoeg is geweest. ‘Dot The I’ is één van de weinige
films van negentig minuten die ik de laatste tijd heb gezien, die
ook effectief negentig minuten duurde. De meeste films van
anderhalf uur rekken er tegenwoordig twee uur of langer voor uit
(nog ‘Something’s Gotta Give’,
iemand?).

‘Dot The I’ is een klein, intrigerend filmpje, goed in elkaar
gestoken en krachtig geregisseerd. Nee, grote kunst is dit niet, en
de achterliggende thema’s zijn niet zo origineel als Parkhill zelf
waarschijnlijk zou willen geloven, maar qua amusementswaarde kan
dit tellen. Allen daarheen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vijf =