Stereophonics :: You Gotta Go There To Come Back

Wales staat sinds een paar jaar weer op de wereldkaart en dat heeft het vooral te danken aan drie eenvoudige jonge snaken met een liefde voor muziek. De Stereophonics zijn rasechte volkshelden in hun land en hebben met You Gotta Go There To Come Back hun vierde album uit.

Toch lijken er stilaan barsten te komen in het Stereophonics-blazoen. Vorige week werd vrolijk drummende krullenbol en stichtend lid Stuart Cable nog zonder boe of ba buiten gewerkt door zijn collega’s Kelly Jones en Richard Jones omdat hij zich te weinig inzette voor de band en zich de laatste tijd vooral bezighield met… euhm… ’cable’; waarmee we op zijn tv-werk voor BBC Wales doelen. Stof genoeg voor enkele mediarelletjes in het thuisland, zeker weten.

Ook de nieuwe muzikale vrucht van de sympathieke Welshmen is niet ’je dat’. Kelly Jones had meer ’soul’ beloofd voor het nieuwe album, maar die intentie lijkt al direct ondermijnd te worden door de belachelijk lange titel die hij You Gotta Go There To Come Back meegegeven heeft. En daar knelt duidelijk het schoentje: de nieuwe plaat is meer dan ooit een Kelly Jones-product, terwijl soul net muzikale interactie nodig heeft. Jones domineert in alle regionen waardoor een oud zeer van de Stereophonics te opvallend aan de oppervlakte komt, namelijk het gebrek aan variatie in zowel de songopbouw als de zangstijl.

In dat opzicht gaan de Stereophonics meer en meer in de richting van Oasis en iedereen weet wel hoe het de Gallaghers en co. tegenwoordig vergaat. You Gotta Go There… swingt en rockt, maar ’rollt’ te weinig. Er was nochtans genoeg materiaal voor handen in de verzameling nummers die Jones de laatste twee jaar bij elkaar gepend had. Het overgrote deel van de songs bevat ruime mogelijkheden voor allerlei muzikaal lekkers, maar spijtig genoeg wordt er weinig mee gedaan.

Het resultaat is een droge plaat die te hard probeert te variëren en te feesten en net daardoor elke kans daartoe verstikt. Dat blijkt al direct uit opener "Help Me (She’s Out Of Her Mind)" die met een aardig scheurende fuzz-gitaar van start gaat, maar al snel in de zeurende fuzz van Jones’ stem verloren loopt. Enige contrastwerking komt nog uit de wah-wah-gitaar op de achtergrond, maar niet voldoende om van een frisse openingssong te kunnen spreken.

"Maybe Tomorrow" is gelukkig wel een voltreffer. Een aardig nummer met veel ademruimte dat veel warmte haalt uit een sober orgeltje naast de akoestische gitaar. Daarna gaat het echter weer wat minder. "Madame Helga" moet het vooral van het frisse refrein hebben, terwijl in "You Stole My Money Honey" de zang-/zeur-excessen van Jones er echt
te veel aan zijn.

Dat geldt overigens voor één derde van het hele album. "Rainbows and Pots of Gold" is daar nog een voorbeeld van. ’Licht belegen’ is de typering voor veel nummers. Zo gaat "Getaway" over jeugdsentiment en nostalgie, maar het klinkt als een slap B-kantje van de twee vorige albums.

Bij de betere nummers van het album hoort zeker "Climbing The Wall". Spijtig dat de mooie soberheid van de song lichtjes verpest wordt door té opzichtige Wurlitzer-geluiden. Onvergetelijk prachtig is dan wel "I’m All Right (You Gotta Go There To Come Back)". Een song die uitblinkt in naaktheid en een kilte die je een extra trui doet aandoen; zéker bij de topnummers uit de hele Stereophonics-collectie.

U heeft het vast al begrepen: You Gotta Go There… brengt weinig nieuws en eigenlijk ook weinig goeds. De nummers zijn weinig doorwerkt en worden vaak verpest door een te potsierlijke orkestratie. De Stereophonics moeten dringend van soberheid leren houden of het loopt er slecht mee af, dat wij het gezegd hebben. Voer voor de fans.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =