Sandy Dillon :: Nobody’s Sweetheart

Het is een rare doos, die Sandy Dillon. Zoveel was duidelijk toen we haar op het LynX-festival in 2002 samen met de jongens van Troissoeur bezig zagen. Als een hogepriesteres jongleerde ze bezwerend krassend met haar poppen. Voor haar derde plaat stapt ze wat af van haar imago als vrouwelijke Tom Waits

Dillon heeft er ondertussen al een grillige levensloop opzitten. Met een klassieke piano-opleiding achter de kiezen kwam ze eind van de jaren zeventig terecht in New York, waar ze ging spelen in homobars en plots in een geflopte Broadway-revue terechtkwam. Ze werd er echter opgemerkt door de legendarische manager Tony DeFries die haar tekende bij Elektra.

Ze nam voor het label twee albums op die nooit gereleased werden, verdween vervolgens voor jaren in de anonimiteit en bracht in 1996 een album uit. De echte doorbraak kwam er echter in 1999 met het album Electric Chair, waarmee ze haar versie van de blues bracht. Critici tuimelden over elkaar heen om toch maar als eerste de term "vrouwelijke Tom Waits" te mogen bezigen, Dillon haalde zelfs het podium van Werchter. Op East Overshoe uit 2000 ging ze op dat pad verder.

En toen overleed haar man en muzikale metgezel Steve Bywater. Enkele maanden tevoren had ze al afscheid moeten nemen van haar vader, maar nu was ze werkelijk ’nobody’s sweetheart’ meer, gedwongen haar leven in eigen handen te nemen. Het nam wat tijd in beslag, maar Dillon veegde zichzelf bijeen en begon langzamerhand aan een nieuw album.

Met "Feel The Way I Do" begint het alvast erg intiem en persoonlijk. Het was dan ook de eerste song die ze schreef na het overlijden van haar man. Vanaf "It Must Be Love" wordt echter duidelijk dat ze muzikaal andere horizonten opzoekt. Voor Nobody’s Sweetheart gaat ze vooral op excursie in de triphop, soms compleet met gesamplede violenwolken als in afsluiter "Mamma’s Backyard".

In "Shoreline" is Heather Nova onhoorbaar aanwezig, "Let’s Go For A Drive" herinnert aan P.J. Harvey’s triphopplaat Is This Desire, meer bepaald aan het nummer "The Wind". Uitermate aanstekelijk is ook de bezwerende indianendans van "A Girl Like Me". Als daar maar geen regen van komt.

En gaandeweg lijkt Dillon vrede te nemen met het ongeluk dat haar trof. In "Now You’re Mine" wordt het eindeloos herhaald: "I don’t need anyone". Eén kopje op tafel is vanaf nu genoeg en ze kan er mee overweg. "Don’t Blame You Now", klinkt het zelfs twee nummers verder en haar stem ligt plots dicht bij die van de Sinead O’ Connor in haar jonge jaren (denk aan het bijtende "Troy").

Dillon is dus al lang niet meer "de vrouwelijke Tom Waits" — als ze dat ooit al geweest is —, ze heeft haar eigen gezicht gevonden. Nobody’s Sweetheart is een prachtige cd van iemand die genoeg klappen heeft gekregen om uitgeteld in de ring te gaan liggen, maar zichzelf heeft bijeengeraapt en terugsloeg.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + 12 =