I Am Sam


Niets zo lullig als een film die heel diepzinnige dingen
probeert te zeggen over een belangrijk onderwerp, en dan niet kan
verhullen dat het onderwerp jaren geleden al afdoende werd
behandeld in duizend en één tv-films, en dat de benadering ervan
alles behalve diepzinnig is. Eerder het tegenovergestelde. ‘I Am
Sam’ is zo’n film – het echte leven volgens Hollywood, zoals we het
ook al zagen in ‘Life As A
House’
.

Sean Penn speelt Sam, een mentaal gehandicapte wiens
verstandelijke vermogens niet boven die van een zevenjarige
uitkomen. Op onduidelijke manier wordt hij met het kind opgescheept
dat hij verwekte bij een dakloos meisje – we krijgen nooit precies
te horen hoe hun relatie eigenlijk in elkaar zat – en we zien hem
zijn dochtertje Lucy opvoeden, zo goed als hij kan, tot ze zes jaar
oud is.

Op haar zesde ziet Lucy er zo onmogelijk schattig en lief uit
dat je spontaan zin krijgt haar een aardappelzak aan trekken en
haar uit stelen te sturen. Net zoals alles in deze film, is het
kind zelf een sublimering van de realiteit – geen enkel kind ziet
er zo lieftallig uit, gedraagt zich zo grappig, zegt zulke lieve
dingen. De film is op dit moment nog niet lang bezig, maar als
doorgewinterd filmkijker voel je al nattigheid – dit gaat
behoorlijk melig worden.

En dat wordt het ook. Na een banaal incident op een
verjaardagsfeestje, krijgt Sam bezoek van de Amerikaanse
kinderbescherming, en wordt Lucy tijdelijk bij een pleeggezin
geplaatst, tot een rechter besloten heeft of hij wel bekwaam is om
het kind verder op te voeden. Aangespoord door de vrienden uit zijn
videoclub, allemaal fans van ‘Kramer Vs Kramer’, gaat Sam op zoek
naar een advocaat – net als Dustin Hoffman in die film. Hij vindt
er één in Michelle Pfeiffer als Rita, een clichématige advocate
zoals ze in de film altijd geportretteerd worden: we zien Rita
telefoontjes met haar eigen zoontje afwimpelen, door haar kantoor
heen walsen, op een suïcidale snelheid door de spits rijden enz…
Enfin, ze is een echte filmadvocate. Aangezien ze wil bewijzen aan
haar collega’s dat ze geen harteloze bitch is, besluit ze Sams zaak
pro deo aan te nemen.

En zo zijn we dan vertrokken voor een huilerig melodrama, waarin
alle verplichte nummertjes worden afgewerkt: of dacht u soms dat
Pfeiffer tegen het einde niet zal beseffen dat ze zelf zwaarder
gehandicapt is dan Sam, waar het de opvoeding van haar kind
betreft? Natuurlijk wel. Dacht u soms dat er geen hartverscheurend
afscheid tussen Sam en Lucy zou plaatsvinden? Natuurlijk wel. Dacht
u soms… Nu ja, u begrijpt wel waar ik naartoe wil. ‘I Am Sam’ lijkt
eerder een ode aan het soort van melige middagfilms die geen ode
verdienen, dan een realistisch drama.

Heel wat mensen laten zich hier schijnbaar aan vangen, en
fronsen de wenkbrauwen wanneer iemand een film als deze durft te
bekritiseren. Laat ik dat even vooropstellen: er is een groot
verschil tussen een ontroerende film, die de tranen van z’n publiek
verdient, en een melige film, die de tranen uit je ogen perst met
schaamteloze manipulatie. Voor films uit die eerste categorie kan
ik u ‘In The Bedroom’, The Pianist’ en ‘Hable Con Ella’ aanraden. Dit exemplaar
valt echter middenin de tweede, waar het het gezelschap geniet van
‘John Q’, ‘Monster’s Ball’ en consoorten.

Sean Penn steelt de show als Sam, en niemand zal kunnen
ontkennen dat hij volstrekt geloofwaardig is – alleen is het lang
niet zo moeilijk een gehandicapte te spelen als iedereen steeds
zegt. Edward Norton heeft in ‘The
Score’
eigenlijk het geheim van dit soort rollen weggegeven:
het is een verzameling tics, die nauwgezet worden aangeleerd en
vervolgens geïmiteerd. Penn speelt het goed, daar niet van, hij is
zelfs de enige reden om deze film te zien, maar laten we de oscar
maar even bewaren tot hij nog eens op overtuigende manier een
normaal mens speelt. Dat is heel wat moeilijker.

Het fundamentele probleem van ‘I Am Sam’ is het voortdurende
conflict tussen de – waarschijnlijk oprechte – wens van de makers
om de realiteit uit te beelden, en toch die continue clichés uit
gelijkaardige films die er weer bij komen kijken. Regisseuse Jessie
Nelson probeert een oprecht ontroerend moment te creëren wanneer
Sam op de getuigenbank zijn zaak moet bepleiten, maar hoe kun je
een claim leggen op realisme wanneer je je personage vervolgens een
speech uit ‘Kramer Vs Kramer’ laat afsteken? Binnen de plot is die
scène waarschijnlijk verantwoord, maar niet binnen de ambitie van
de film om geloofwaardig te zijn. Of om het anders te zeggen:
binnen een film is dit aanvaardbaar, maar het zou nooit in het
echte leven gebeuren.

Net zo met het einde, dat rechtstreeks uit diezelfde film
afkomstig is. Ditmaal worden de dialogen van ‘Kramer Vs. Kramer’
met rust gelaten, maar de situatie is identiek. Opnieuw verraadt
Nelson haar verlangen naar realisme voor de platgetreden paden van
Hollywoodcliché. Iedereen die ooit een Amerikaanse film zag, zal
tot op de seconde kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren en
wanneer.

Visueel probeert Nelson het echte leven na te bootsen door de
camera schokkerig te laten bewegen, alsof de cameraman plots een
accute aanval van Parkinson kreeg. Gezien de melige inhoud van de
film doet deze stijl, als het zo al genoemd kan worden, niets ter
zake. Tip voor alle toekomstige filmmakers: als er geen goeie reden
is om je camera te laten bibberen en beven, doe dat dan ook
niet.

En dan is er natuurlijk nog het belangrijkste van alles: de
boodschap van de film – want dit is een film met een Boodschap, en
als je de makers zelf mag geloven: een Grote Boodschap. Die schijnt
te zijn dat je enkel liefde nodig hebt om een kind goed groot te
brengen, en dat we allemaal gehandicapten zijn waar het de
opvoeding van onze kinderen betreft, omdat we toch maar doen wat we
kunnen, en het is nooit genoeg.

Is liefde alles dat je nodig hebt? Je kunt erover discussiëren,
natuurlijk, maar als puntje bij paaltje komt, is gezond verstand
ook altijd mooi meegenomen. Op een bepaald moment in de film zegt
de advocaat van de tegenpartij tegen Pfeiffer: “Voor u is dit het
goede doel van de week, maar ik zie dit elke dag. En weet u wie ik
hier zie terugkomen? Het kind.” Wel… Hij heeft toch gelijk, of
niet? Uiteindelijk wordt er nooit een bevredigend antwoord gegeven
op de vraag: wat gebeurt er wanneer Lucy acht wordt, en slimmer dan
haar vader? Er wordt een oplossing gevonden voor de situatie, ja
natuurlijk, maar dat enkel door de tussenkomst van de zo
antipathiek voorgestelde kinderbescherming.

Op die manier weet ‘I Am Sam’ helemaal niets intelligents te
zeggen over een onderwerp dat een veel betere film verdiende. Het
is een showstuk voor Sean Penn, en weinig meer. Dramatische
situaties lopen mank, en de film werkt zichzelf hopeloos tegen in
het streven naar realisme én sympathie voor de problemen van het
hoofdpersonage. Dit is wel degelijk een eindeloos fascinerende
film, maar dan enkel als voorbeeld hoe het niét moet. Te
mijden.

http://iamsammovie.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 + 9 =