The Pianist




Regie : Roman Polanski
Scenario : Ronald Harwood

Begin jaren negentig werd Roman Polanski door Steven Spielberg
opgezocht om ‘Schindler’s List’ te regisseren, een script waar
Spielberg zelf op dat moment bij betrokken was als regisseur.
Polanski weigerde, omdat hij zelf als kind in het getto van
Warschau had gezeten (zijn moeder stierf later in Auschwitz). Hij
beweerde emotioneel nog te nauw betrokken te zijn bij het onderwerp
om de film te kunnen maken. Een dikke tien jaar later lagen de
zaken blijkbaar anders, en maakte hij zijn eigen Holocaustdrama
‘The Pianist’ – een verhaal waarvan we kunnen aannemen dat het nóg
dichter tegen zijn persoonlijke ervaringen ligt dan ‘Schindler’s
List’, omdat het zich helemaal in Warschau afspeelt. De
superlatieven waren niet van de lucht: de film en zijn maker werden
de hemel ingeprezen, Polanski won een Gouden Palm en een Oscar voor
beste regisseur en ook hoofdrolspeler Adrien Brody kreeg een resem
prijzen in zijn handen geduwd. En terecht. ‘The Pianist’ is een erg
klassiek, ingehouden drama, maar wel één dat je krachtig weet te
raken.

Brody speelt Wladyslaw Szpilman, een joodse pianist die in 1939
in een radiostudio in Warschau live een stuk aan het spelen is
wanneer Duitse bommen de stad de eerste in een eindeloze reeks van
slagen toedienen. De familie Szpilman is aanvankelijk optimistisch
– wanneer de BBC meedeelt dat Engeland Duitsland de oorlog
verklaart, houden ze een dineetje om dat feit te vieren. Wat kan er
hen overkomen nu de Britten meedoen?

Heel wat, zo blijkt. De familie maakt zowat alles mee dat je kunt
verwachten gezien de historische omstandigheden. Ze worden
ingemuurd in het getto, zien het willekeurige geweld van de
Duitsers. Ze lijden honger, zoeken manieren om geld te verbergen.
Wladyslaw vindt werk als pianist in een restaurant waar sjacheraars
hem vragen om even op te houden met spelen zodat ze de echtheid van
hun geld kunnen nagaan.

Dan wordt het getto opgeruimd, en de familie van Wladyslaw wordt op
een trein richting concentratiekamp gezet. Door stom geluk ontsnapt
Wladyslaw op het laatste nippertje aan dit lot, en gedurende de
rest van de oorlog verhuist hij van het éne onderduikadres naar het
andere, een eigentijdse variant op de wandelende jood. Een tijdlang
maakt hij deel uit van een werkkamp, vervolgens ontsnapt hij
daaruit en houdt hij zich schuil in een claustrofobisch flatje
recht tegenover een Duits ziekenhuis.

Op die manier kruipt Wladyslaw door de oorlog, en het is Brody’s
prestatie dat hij de hele tweede helft van de film in feite enkel
op zijn eigen schouders draagt. Eens de pianist is ondergedoken,
worden nevenpersonages zeldzamer, en in ieder geval worden hun
rollen kleiner. We zien Wladyslaw magerder worden, schijnbaar
terwijl we ernaar zitten te kijken. Zijn huid krijgt een ongezonde
kleur, zijn baard groeit en lijkt daarmee zijn magerheid nog eens
te benadrukken. Uiteindelijk is hij een menselijk insect geworden,
dat door de totaal vernietigde gebouwen van wat eens Warschau was
strompelt, in de hoop door niemand gezien te worden.

Nu Polanski dan toch besloten had om de Tweede Wereldoorlog als
thema te behandelen, leek hij vastbesloten te zijn om zijn emoties
zo veel mogelijk in bedwang te houden. ‘The Pianist’ is erg
ingehouden, bijna droge film, die meedogenloos objectief blijft in
zijn perspectief. We krijgen nergens drammerige muziek die tranen
moet losweken bij het publiek, en ook de visuele stijl trekt nooit
de aandacht op zichzelf. hij filmt zonder al te veel franje, in een
simpele stijl die door sommigen afstandelijk werd genoemd.
Misschien hebben ze wel gelijk, maar die sobere vormgeving zorgt er
wel voor dat wat je ziet eens zo genadeloos overkomt. We zien doden
op straat liggen – soms ook weer dode kinderen – en er wordt geen
punt van gemaakt. Dat is schijnbaar normaal. Een man wordt met
rolstoel en al van de vierde verdieping naar beneden gegooid, en
Polanski filmt dit met de zelfde schijnbare sobere onbewogenheid
waarmee hij al de rest vastlegt.

Voor zover zijn persoonlijke emoties dan toch naar boven komen,
is het in de manier waarop kinderen steeds weer opduiken in de
eerste helft van de film – kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd
als Polanski destijds. We zien ze met elkaar vechten om eten, we
zien ze dood op de grond liggen en in één gruwelijke scène zien we
hoe een jongetje door een gat in de gettomuur probeert te kruipen,
terwijl een Duitser hem doodslaat. Is die nadruk op kinderen toeval
of een erkenning van Polanski dat het ook met hem helemaal anders
had kunnen aflopen?

Polanski vindt ook ruimte voor humor, gelukkig – let erop hoe
Wladyslaw een half uur lang met een blik rondloopt; heeft hij
eindelijk iets gevonden om te eten, heeft hij verdomme geen
blikopener. De zoektocht naar dit voorwerp leidt trouwens tot de
beste scène uit de hele film. Wladyslaw wordt betrapt door een
Duitse officier, die he’m helpt in plaats van hem aan te geven.
Wladyslaw wordt even terug een pianist, wanneer hij voor de Duitser
een stukje speelt. Een scène van bijna vijf minuten, waarin de
pianist uitgerekend door een Duitser zijn menselijkheid terugvindt.
Tussen twee vijanden die geen vijanden zijn, is dat het meest
levensbevestigende dat ze kunnen doen.

‘The Pianist’ is één van de weinige films waarin Polanski
zichzelf geen excessen of excentriciteiten toeliet (hoewel er wel
nog andere voorbeelden te vinden zijn – denk maar aan ‘Tess’). Hij
vertelt hier een rechtlijnig verhaal op een relatief eenvoudige
manier – een vorm van classicisme die hij nadien ook zou gebruiken
in ‘Oliver Twist’. De prent kan dan ook soms kil en klinisch
overkomen, maar je hoeft enkel in de rood aangelopen ogen van
Adrien Brody te kijken om te weten waar de emotionele kern van het
verhaal zich bevindt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − 10 =