Lord Of The Rings – The Fellowship Of The Ring



171 min. / USA-NZ

De meest besproken film van het voorbije jaar behoeft
nauwelijks een introductie: de eerste live-action film gebaseerd op
de legendarische boeken van J.R.R. Tolkien lag drie jaar onder
productie (zij het dan wel samen met de twee volgende delen van de
trilogie) en werd door de talrijke fans verwacht als was het de
wederopstanding. Alsof je naar ‘Star Wars’ ging kijken, zo erg was
het: mensen die schijnbaar hun verstand elders opgeborgen hadden,
verkleedden zich in kostuums die theatergezelschap Ons Genoegen nog
niet zou durven gebruiken en zaten praktisch met het boek erbij
naar de film te kijken. Ingekorte scènes, personages die bondiger
behandeld werden, scènes die een verschillende interpretatie
kregen: dit alles werd door de hardcore fans ongenadig afgestraft.
Niemand is immers zo fantasieloos als een fantasyfan, anders zouden
ze geen fantasy lezen.

Het is moeilijk om een film te bespreken die zo’n sociaal fenomeen
is geworden; noem hem goed en je bent een slappeling die niet kan
weerstaan aan de hype. Noem hem slecht en je bent zo’n zeikerd die
per sé tegen de stroom in wilt gaan. Het enige dat je echt kunt
doen, is proberen jezelf af te sluiten van de waanzin die rond zo’n
film heerst en gewoon objectief te blijven.

Voor die twee die het nog niet mochten weten, de film gaat
hierover: in de fictieve wereld Midden-Aarde smeedt de duistere
heer Sauron de ring van de macht. We weten dat hij niet deugt omdat
hij in een door lava omringt kasteel woont, bewaakt door grijzige
monsters die dringend een tandarts nodig hebben. Wanneer Sauron
spreekt, zien we het lava rond zijn bungalow automatisch
opborrelen: geen sympathieke kerel, zoveel is duidelijk. Enfin, die
Sauron wil die ring gebruiken om de rest van Midden-Aarde aan zich
te onderwerpen, maar na een lange oorlog wordt hij verslagen en de
ring raakt verloren. Na veel vijven en zessen komt hij terecht bij
de Hobbit (Hobbits: kleine ventjes met grote, harige voeten) Bilbo
Baggins. Maar zolang de ring bestaat, is het kwaad niet overwonnen,
en Sauron keert terug om zijn ring te zoeken en alsnog Midden-Aarde
te veroveren. Het is aan Frodo Baggins om, samen met een gezelschap
van tovenaars, elven, dwergen en andere Hobbits, de ring te
vernietigen in de vuren van Mount Doom – het hol van de leeuw
dus.

Peter Jackson, voormalig sicko van ‘Meet The Feebles’ en
‘Braindead’-faam, verdient in ieder geval alle lof omdat hij zijn
immense taak tot een goed einde heeft gebracht. Het produceren van
drie gigantische films door elkaar, logistiek en inhoudelijk
complex, die dan nog eens met een meedogenloze kritiek van de fans
van het boek te maken zullen krijgen, moet een titanenwerk zijn
geweest. Vijf jaar van z’n leven is Jackson ermee bezig geweest, en
hoewel de film niet het meesterwerk is dat velen in hun
enthousiasme beweerden, heeft hij er in ieder geval al één mooie,
spannende avonturenfilm van gemaakt. Chapeau.

Het verhaal is complex voor wie de boeken nooit heeft gelezen, en
de hele set-up van de films wordt gegeven in een zeven minuten
durende proloog die een visueel verbluffende veldslag tussen de
troepen van Sauron en de… nuja, de anderen toont. Dit is niet
bepaald een schoolvoorbeeld van het subtiel structureren van een
verhaal: je hebt die informatie, en die moet absoluut gekend zijn
voor je aan de film kunt beginnen. Dus wordt het je maar gewoon met
de paplepel ingegoten via een voice-over.

Dat is ook een beetje mijn voornaamste bezwaar tegen de film:
tijdens het eerste half uur krijg je eigenlijk heel de plot, met de
scènes in The Shire, en daarna tuimelen Frodo en zijn reisgenoten
gewoon van de ene episode in de andere, waarin ze met steeds
fantastischer wezens te maken krijgen. De plot ontwikkelt zich niet
echt: je hebt een set-up en dan een goeie twee uur pay-off.

Maar het is een goeie pay-off, dat wel. De zwarte ruiters, de Orcs,
de Balrog, het duel tussen tovenaars Saruman en Gandalf… Stuk
voor stuk goed opgezette, goed geregisseerde actiestukken. Om de
drie uur durende film toch een continu tempo mee te geven, gebruikt
Jackson een voortdurend bewegende camera. Zelden een film gezien
van deze lengte die zo snel voorbijging, en zo’n gevoel van
onuitputtelijke energie met zich meedroeg.

Wat overigens niet wegneemt dat er wel net één shot teveel inzat
van het gezelschap dat door een sneeuwlandschap of een
graslandschap, door berg en dal marcheert. Dat soort van
indrukwekkende wide-shots van Nieuw-Zeeland op z’n mooist zijn
allemaal goed en wel, maar dat krijgen we dus keer op keer – het
wordt net niet absurd.

Elijah Wood als Frodo en Ian McKellen als Gandalf hebben de
nominale hoofdrollen, maar ‘The Fellowship of The Ring’ is in feite
een ensemble-stuk. Ik heb veel kritiek gehoord op Wood, maar mijn
eigen reserves werden eerlijk gezegd vrij snel opzij geschoven;
goed, de jongen ziet er nog steeds uit alsof hij twaalf is, maar
toch kwam hij geloofwaardig over – probeer jij maar eens een Hobbit
te spelen die rouwt om zijn beste vriend, de tovenaar. Lijkt me
niet echt gemakkelijk. Waar Peter Jackson opnieuw een goeie keuze
maakt, is in het in het oog houden van al die personages – binnen
het spektakel, de gigantische sets en al de special effects, weet
hij wel min of meer logische personages te creëren met een
emotioneel plausibele lijn doorheen de film.

‘The Fellowship of The Ring’ is voor een groot gedeelte opgetrokken
uit CGI, een techniek waar ik niet echt een voorstander van ben.
Maar Jackson is slim genoeg geweest om de meeste van deze scènes ‘s
nachts te laten spelen, of anders opnieuw de camera te bewegen,
zodat de onvolkomenheden van het procédé enigszins verborgen
blijven. Mooi zo.

In tegenstelling tot die andere trilogie, wiens titel ik nauwelijks
nog kan uitspreken zonder mijn maag te voelen draaien, is ‘The Lord
Of The Rings’ in ieder geval een film met een hart en een ziel –
niet zomaar een effectenshow, niet zomaar een nevenproduct van de
actiefiguren en andere merchandising. Dit is wel degelijk een
liefdeswerk, en dat voel je. Zoveel enthousiasme en bevlogenheid
kan George Lucas nog niet opbrengen als hij zijn bankrekening
bekijkt. Er zitten fouten in, jawel: de film is geen afgeronde
ervaring, en aan het einde van de rit blijf je een beetje op je
honger zitten. Ik ga ervan uit dat de volgende twee films daar iets
aan zullen kunnen doen.

Deel twee, ‘The Two Towers’ (als ze
hem zo mogen noemen, want dat is vooralsnog niet zeker) wordt
verwacht in december 2002 – en hoewel ik voorlopig mijn valse baard
en punthoed nog even rustig in de coulissen van toneelclub Ons
Genoegen laat liggen, moet ik toegeven toch benieuwd te zijn. Het
zou wel eens mooi kunnen worden.

http://www.lordoftherings.net

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in