The Amazing Spider-Man

Heel goeie film, Spider-Man van Sam Raimi, uit 2002! Zo goed, blijkbaar, dat ze ‘m tien jaar na datum nog eens wilden maken. The Amazing Spider-Man start de franchise opnieuw op van bij het begin en doorloopt alle verplichte stapjes uit de origin story van Spider-Man: denk aan het eerste halfuur uit Raimi’s film, maar dan opgeklopt tot een twee uur durende megaproductie. De vraag die je daarbij kan stellen, luidt natuurlijk: is dat allemaal wel nodig? Hoeven we echt nóg eens te zien hoe de onzekere tiener Peter Parker door een radioactieve spin wordt gebeten, superkrachten ontwikkelt en na de dood van zijn oom misdaad begint te bestrijden? Allicht niet, en de film doet dan ook hartstikke déjà-vu aan. Maar is het een goeie blockbuster? Dat dan weer wel.

Voor wie het alweer vergeten zou zijn: Peter Parker (Andrew Garfield) is een geniale student met een talent voor wetenschap en een neus voor onrecht. Niet bepaald kenmerken die “Mister Popular” uitschreeuwen – ook al ziet hij er dashing uit en kan hij een stevig potje skateboarden – maar hij valt wel op bij de charmante Gwen Stacy (Emma Stone). Op een dag vindt hij een aktetas van zijn overleden vader, een wetenschapper, met daarin een foto van diens collega Curt Connors (Rhys Ifans), een expert in cross-species genetics. Wanhopig om uit te vogelen waarmee zijn vader zich zoal onledig hield, zoekt Peter dokter Connors op. In het lab waar die werkt – Gwen Stacy is er door een gelukkig toeval stagiaire – loopt echter één en ander mis, waardoor niet veel later twee supermensen New York op stelten zetten: Spider-Man en de Lizard.

Het is moeilijk om tijdens The Amazing Spider-Man niet te vervallen in een spelletje ‘Zoek de tien verschillen’. Je moet je door de promocampagne – met z’n prietpraat over een ‘untold story’ – niet laten misleiden: de plot lijkt erg op die uit de films van Raimi. Je hebt de ongelukkige dood van Uncle Ben (Martin Sheen), heel dat saaie spiel over verantwoordelijkheid, de moeilijke romance, de goedbedoelende professor die ook een vaderfiguur is, maar gaandeweg tot monster muteert, de zorgzame Aunt May (Sally Field), de sequens waarin Peter z’n krachten ontdekt, en ga zo maar door. Het been there, done that-gevoel valt maar moeilijk af te schudden, en daar lijdt de film onder. Spijtig, want als de film nieuwe elementen introduceert, zijn ze meestal ráák.

Vooreerst doet Marc Webb – goeie naam voor een Spider-Man-regisseur – wat hij goed doet. Net als in zijn (500) Days of Summer is het meet cute-aspect van The Amazing Spider-Man één van zijn leukste elementen. Zeg anders maar gerust: hét leukste element. De chemie tussen Andrew Garfield en de verrukkelijke Emma Stone – probeer ze maar eens níét aaibaar te vinden; het zal u niet lukken, zulle! – is ontwapenend. “Tof koppel,” dachten wij na afloop (alsook, nog iets sterker: “damn you, Garfield!”), iets dat wij bij nagenoeg geen enkel real-life celebrity-koppel denken. De voorzichtige eerste conversaties, het ongemakkelijke geschuifel, die aarzelende eerste date en de onvermijdelijke eerste kus zijn allemaal heel erg mooi aangepakt, en dat wint The Amazing Spider-Man kostbare punten.

Ten tweede is er nog een sterke rol weggelegd voor de onschatbare Denis Leary, die Gwen Stacy’s vader speelt, tevens de politiekapitein die jacht maakt op Spider-Man. Wie de comics een kléín beetje kent – en de rest allicht ook – zal zijn story arc niet bepaald verrassend vinden, maar zijn relatie tot Peter is wél verrassend goed uitgewerkt en krijgt voldoende screen time om te overtuigen. (Dan is de vader-zoonrelatie tussen Peter en dokter Connors veel meer by the numbers; ze lijkt ook wat al te hard op de relatie tussen Peter en Willem Dafoe in Spider-Man en die tussen Peter en Alfred Molina in Spider-Man 2.) Het doet alleszins deugd om dit belangrijke stukje Spider-Man-mythos eens naar het grote scherm vertaald te zien. Heel de historiek rond de familie Stacy is dan ook de beste nieuwigheid aan The Amazing Spider-Man.

Waar het stroever loopt, is in de toon van de film: Spider-Man is een kleurrijk personage dat zijn problemen met veel humor het hoofd biedt en het Marvel-universum dat we de laatste jaren hebben leren kennen is er sowieso één van felle kleuren en een triomfantelijke comic book spirit. The Amazing Spider-Man is echter een overwegend donkere prent, en Andrew Garfield een teruggetrokken, egocentrische en zelfs gemene Spider-Man. Lighten up, dude! Het had allemaal wat meer fun gemogen; laat die zwartzakkerij maar over aan Christopher Nolan en zijn Batman-films. Resultaat: een Spidey-film die de typische Spidey-feel mist. Ook de actie mocht swingender: nu is ze adequaat, maar een tikkel standaard. Overigens: Andrew Garfield is een goeie acteur, maar als Spider-Man hadden wij toch liever Tobey Maguire.

Om kort te gaan: The Amazing Spider-Man is niet de flitsende heruitvinding van onze favoriete spinnenman waarop we gehoopt hadden. Het is een goeie, met liefde gemaakte blockbuster die duidelijk heel veel respect heeft voor het bronmateriaal, maar die hier en daar wel een steekje laat vallen. Nu alle verplichte origin story-elementen echter definitief uit de weg zijn, zou de onvermijdelijke sequel weleens erg goed kunnen uitpakken; tenzij ze met Noman Osborn wéér betreden paden gaan bewandelen, natuurlijk. En als Andrew Garfield in zijn spandexkostuum – of beter nog: Emma Stone in een spandexkostuum, maar da’s te veel gevraagd, zeker? – komt binnenvallen bij The Avengers 2 (het kán: Spider-Man klust vaak bij als Avenger), dan gaan wij helemaal bat-shit crazy. Laten we dus hopen dat The Amazing Spider-Man vooral een glorieuze toekomst inluidt voor Peter Parker. Our spider sense is tingling!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in