Zondag 6 september :: uitrusten op een hooibaal

Het is onze laatste dag alweer in dit kleine Arcadia, dit waargemaakt stukje Albion. Door praktische issues stuiken wij een beetje te laat binnen bij het piepjonge, sympathieke trio Shaking Hands, enola chous met een knoert van een 90’s obsessie (denk Slint, Codeïne, Ten Rapid van Mogwai en post-hardcore). Ze speelde twee weken geleden op Pukkelpop en doen binnenkort nog een paar keer ons Belgenland aan. Ook hier kwamen ze hun titelloze debuut voorstellen, al lieten ze ook wat nieuw werk horen dat iets ruiger klonk dan wat de band tot nu toe uitgebracht heeft. Iemand heeft hier naar Unwound zitten luisteren. Shaking Hands speelde een strakke set maar met een zangstem die een lange tour en late avonden verraad. Even een weekje uitslapen, jongens, tot we weer dat Kanaal oversteken naar België?
Als wij zondag traag op gang willen trekken, zoeken wij wat comedy op in het bos, terwijl de schapen voorbijwandelen in de achtergrond en er het hunne van denken. Zeker als Katie Norris techno-dj’s die weigeren op te groeien op hun plaats komt zetten en Stewart Lee hier het middenklassepubliek komt uitlachen en tussendoor Morrissey nog eens bij het huisvuil zet (“Mark Twain said tragedy plus time equals comedy. But I think tragedy plus time equals Morrissey”).

Folk Bitch Trio is daarna exact wat de bandnaam voorspelt: een zeer jong vrouwelijk folktrio dat samen mooie liedjes brengt en het ook niet altijd te serieus neemt. Ze zien eruit als gothic teenage besties en zijn dat waarschijnlijk ook. Ze staan hier onverwacht in de kokende zon, want ook dat is Engeland: voorbereid zijn op elk weer. In Folk Bitch Trio zit al schoonheid, vooral door hun goeie zangpartijen en mooie harmonieën, maar om echt gothic folk te maken, zal de band toch nog wat minder zoet en meer rauw moeten klinken. De stemmen hebben de drie al, nu nog de levenservaring en de songs. Afsluiter “God’s A Different Sword” bewees in ieder geval dat ze weten hoe ze een song moeten schrijven.
De fut begint eruit te geraken zo halverwege de zondag, zowel uit ons lichaam als uit de programmatie. De sprintjes tussen de podia worden wat minder snel getrokken. Zo vinden wij onszelf bij The Felice Brothers op de Garden Stage. Vijftien jaar geleden maakte de band een paar goeie americanaplaten en werden ze de favoriete band van Conor Oberst, met wie ze Salutations maakten in 2017. Daarna verdween de band wat in de nevelen. Nu mogen ze hier plots weer de ondergaande zon van een soundtrack voorzien. Wij bereiden ons intussen horizontaal voor op een avondje podiumhoppen tussen tuin en bos. Zo liggend onder de bomen konden wij ons iets voorstellen wat het moet geweest zijn om de jaren ’70 meegemaakt te hebben op een dieet van American Beauty en The Band. Ergens was het makkelijke winst voor de programmator met deze crowdpleaser.

Op de meest willekeurige grasvelden, en dat zijn er hier wel wat, zagen wij intussen mensen een uiltje knappen op weg naar het kleine podium in het bos. Daar keken wij op een hooibaal naar Marisa Anderson, een gitariste uit het hippiedeel van de Verenigde Staten die hier het opmerkelijke the Anthology of UnAmerican Folk Music kwam voorstellen. Op deze instrumentale gitaarplaat bewerkt Anderson traditionele muziek uit landen die de VS de voorbije vijf decennia militair is binnengevallen – en dat zijn er wel wat. Er passeerde meeslepende muziek uit Damascus, Pakistan en Cambodja, origineel bronmateriaal om wat frisse wind in het American Primitivism-spel te brengen. De gitaarfolk van Anderson paste perfect in de houten schuur in het bos waar we ons bevinden. En wanneer ze de liefde voor haar zus of de vogels in haar tuin verwerkte in haar muziek, overviel ons plots een immens gevoeligheid voor de schoonheid van het leven, zo zittend op een hooibaal in een donker wordend bos aan het einde van de weg.

Vervolgens zette het duister in met de donkere folk van ØXN, een van de vele zijtakken van the mighty Lankum. Dit was een bezwerende trip langs percussie en synths die ze tot in Eupen op Meakusma konden horen. De muziek zweefde in al haar eeriness over het festivalterrein, van opbouw naar uitbarsting. Hier ontaardden folknummers als “Cruel Mother” steevast in pikzwarte, abstracte klanktapijten, al bleef de stem van Radie Peat een gids in het donker als het te zweverig dreigde te worden. Het enige nadeel van dit concert? Wij waren na vier festivaldagen net iets te moe om deze donkere trip nog te verteren.
Kurt Vile stapte daarna zelfverzekerd het podium op en liet meteen horen hoe hij live de songs van (watch my moves) en Philadelphia’s been good to me van meer gewicht voorziet zodat ze niet enkel op een luie zondagochtend werken. De band kwam soms zelfs gevaarlijk dicht bij het logge. En zo eindigde deze End of the Road zoals ze met Wild Pink begon: als een langgerechte ode aan Neil Young, met veel uitgesponnen gitaarwerk en een stompende ritmesectie. We waren bijna jaloers op de jongere festivalgangers naast ons die nog zonder gêne de ene na de andere joint konden doorgeven tijdens songs als “Red Room Dub”, “Zoom 97” en “Rock o’stone”. En hoe nuchter Vile tegenwoordig zelf ook is, hij zal er altijd uitzien als die ongemakkelijke tiener die net betrapt is door zijn ouders, verraden door de rode ogen. “99BPM” klonk fantastisch, met een gitaar die huilde op z’n Crazy Horse. “Like Exploding Stones” was doorvoeld, in “Chance To Bleed” (“ that old-time lo-fi DIY rock and roll”) hoorde je de DIY-punker nog onder al dat 70s-gesoleer. We voelen hem nog, right? Right Kurt. Nights!
En zo valt het doek finaal over de twintigste verjaardag van dit festival dat als geen ander tegencultuur en de (iets) grotere schaal weet te verenigen. Op nog twintig jaar End of the Road.



