Vrijdag 4 september :: gitaren gitaren gitaren
Ken Pomeroy is een sympathieke, jonge, praatgrage Amerikaanse die de folktraditie in ere houdt en bovendien een prachtige stem heeft. Dit was het perfecte openingsconcert om met koffie de prut uit de ogen te vegen op de Garden Stage, het OLT Rivierenhof van dit festival. Het zou niet de eerste en al helemaal niet de laatste keer zijn dat wij hier zo rond het middaguur te vinden waren.
Daarna was er op het hoofdpodium de kans om bij Junior Brother massaal mee te zingen over met een kater naar de zondagsmis gaan – je bent Iers of je bent het niet. Maar wij laten de sympathieke Ier links leggen om naar dat intrigerende ??? op de Garden Stage af te zakken. Het gerucht dat Cameron Winter een soloset zou spelen zong immers rond. Ty Segall drukte dat gerucht heel snel de kop in met zijn psychedelisch feestje. De sympathieke garagerocker kwam hier al even zijn nieuwe album van A tot Z warmdraaien voor zijn set vanavond op het hoofdpodium. Dit stevige seventiesfeestje kon tellen als lunch, al sloeg de kwaliteitsmeter zeker omhoog: naast stevig rocken groovede dit immers ook als de pest met gitaarsolo’s gemarineerd in Blue Cheer en het meest logge van Zeppelin.

Dat Wild Pink een enola-chouke is, kon u hier recent al meerdere keren lezen. Deze sympathieke Amerikaan met petje op heeft goed naar 90’s Neil Young geluisterd. Zijn muzikale weidse vergezichten pasten hier wel bij de uitgestrekte velden. Voor tweede nummer “Box Stone” werd al een mondharmonica omgehangen, dan weet je het wel. “One foot out the door/ and the other one too”: hier moeten highways bewandeld worden, door desolate landschappen gelift worden. Het publiek lijkt ook wel vooral te bestaan uit mannen die in de jaren ’90 een verzameling aan houthakkershemden hebben aangelegd en daar sindsdien aan vastgehouden hebben. En nu eventueel hier hun kinderen meesleuren naar de sound van hun jeugd. Zanger John Ross zingt intussen over de omwegen die je in het leven kan nemen. Oh ja, en moet er nog pedal steel zijn? Wild Pink loopt daarbij over de gekende paden, maar hij en zijn songs zijn zo sympathiek, zijn afsluiter zo episch feedbackend, dat je hem zijn beetje succes na zes platen volledig gunt. Het begint hier in ieder geval de dag van de moddervette gitaarsolo’s te worden.
Wij botsen per ongeluk op een akoestische sessie van het Australische Way Dynamic op de Piano Stage. Het merkwaardigste aan deze gezellige maar ongevaarlijke indieband was hoe hard de toetsenist op Elliott Smith leek. Als wij negentien waren, in Londen of Manchester studeerden, en een lange jas droegen, zouden we deze band tot het beste van het festival uitroepen. Gelukkig zijn we dat niet, en was dit vooral een fijn tussendoortje. Pluspunt trouwens voor de slapstick met een gevallen tamboerijn.
De experimentele Ierse folk van het in zichzelf gekeerde Milkweed werd dan weer letterlijk en figuurlijk weggeblazen op de Garden Stage. Voor het nochtans aardige publiek was het werken op de drones en field recordings van het donkere trio. Dit is wel een pak meer avant-garde dan wie gewoon Lankum met wat beats onder had verwacht. Het optreden had misschien toch meer thuisgehoord in een donkere tent in een hoekje, met een publiek van diehards, al zorgde de grijze wind voor een passend decor. De feedback vloog alle kant op, maar vond niet echt de weg naar onze ruggengraat. Al sneed de zang, zeker naarmate de lucht meer betrok, soms wel door merg en been. Vooral de abstractere stukken kwamen hier minder goed over. Een lichtelijk gemiste kans.

De handen gingen dan weer wel vlot op elkaar voor de reünie van Brakes. De band, die wat overlap kent met British Sea Power, was erbij op de allereerste editie van het festival in 2006, en nu stonden ze uitzonderlijk weer op deze verjaardagseditie. Muzikaal gaat het van éénminutenpunk zoals “Heard About Your Band” naar meer Amerikaans aandoend gitaarwerk van “Jackson”, met een gastzangeres uit het publiek. Bij “Cheney” (“Cheney stop being such a dick”) haalden ze zelfs de tien seconden niet, maar ze speelden het ter compensatie dan wel twee keer na elkaar. Voor de oudere luisteraars was dit een bevestiging dat deze band het nog kan, voor de jongeren in het publiek een ontdekking dat papa toch niet zo’n slechte smaak heeft. Het enthousiasme van zowel band als publiek compenseerde voor die kale plek of teruggetrokken haarlijn. Wat betreft “Whole Night Disco Party”: mogen wij iets schrijven met alle remmen los? Bepalen wij zelf wel, en we hebben het net gezegd.
Het was vervolgens een bruuske overgang naar de microtonale gekte van Angine De Poitrine, na Geese al de tweede hypeband op de affiche van deze End of the Road. Maar wel een veel raardere hype, met hun maskers en zelfverzonnen taaltje en mix tussen mathrock en progrock. Het lijkt hier minder goed te pakken dan toen wij ze in de tuin van de Botanique zagen eerder dit jaar, toen geschminkte en gemaskerde fans in de kokende hitte moshpit na moshpit opzetten. Al gingen de handjes hier na een tijdje ook wel de lucht in en begonnen we ook hier gekke taferelen te zien, met ekele brave Britse nerds die zich vooraan aan het circle pitten. Slotnummer “Sherpa” blijft een traag opgebouwde bom van een nummer, en deze band blijft een fenomeen dat je alleen begrijpt als je het meegemaakt hebt. Al blijft de vraag zich wel stellen hoelang dit trucje kan blijven werken.

Voor The Folly, waar je de Britse kleine lettertjes van het moment kan gaan checken, stond dan weer een gigantisch rij voor Deary. Dit piepjonge bandje – je zou hun ID vragen op café – heeft redelijk vers hun debuut uit met daarop shoegaze uit de Slowdivestal. Dat betekent lieve muziek als “Seabird”, met geluidsgolven die vooral zalven. Deze band mist echter het randje en vooral de songs die hun grote voorbeeld wel heeft. Mogen wij de lange rij dus een beetje vreemd vinden, tenzij al hun vrienden en familie op het terrein zijn? Na drie songs hebben wij het wel gehoord. Deary kan zeker nog iets worden en we geven de band met veel plezier het voordeel van de twijfel, maar op dit moment wensen we hen vooral een eigen sound en meer podiumpresence toe. Neen, dan liever de elektronica uit Togo van Nana Benz du Togo, die in songs als “Liberty” de f van Fun in feminisme steken, en e van Emotie in ecologie. De Garden Stage werd omgetoverd tot een feestje onder de blauwe avondzon, een toepasselijke setting om “mother earth” zo centraal te stellen. Het laatste kwartier richting afsluiter “Nature” werd de feestkaart helemaal opengetrokken en kreeg de band het hele plein in beweging. Want op verzet kan je ook dansen.

Voor Mac DeMarco, toch ooit de slackerkoning van de millennials die hier in 2017 al eens eerder headlinede, was het nog heel makkelijk tot ver vooraan wandelen zo tien minuten voor showtijd. Al bleek het gras voor de mainstage zich toch snel te vullen naarmate we dichter bij het startuur kwamen, ook met een nieuwe generatie jonge fans. DeMarco pakte het podium meteen als de charmeur in Adidas die hij is, met streaminghit “For The First Time”, al overheersten de synths een beetje in de geluidsmix. Een euvel dat snel werd rechtgezet. Gelukkig, want DeMarco zit in een goeie livevibe: niet meer het al dan niet dronken ongeleide projectiel van vroeger die sigaretten tussen zijn tanden mikte, hotdogs bakte als releaseshow, fans zijn adres en een uitnodiging voor een kop koffie gaf of journalisten ontving in piepkleine doorrookte opnamestudio’s, maar het blijft wel een vos die je zijn streken niet verleert. Voor zijn goedkope flanger en chorus-geluid moet je zijn, en natuurlijk heeft zijn sound duizenden minder getalenteerde bandjes gebaard zo’n tien jaar terug. Maar hij kent zijn job, kan songs schrijven en heeft bakken charisma. En DeMarco zingt tegenwoordig zo zuiver als hij ooit zal kunnen. “Still Beating” wist schoonheid te verzoenen met onnozelheid. Mensen kropen op schouders, bellenbaas zweefde boven de hoofden, je zag de sterren boven je hoofd. Het leven was even helemaal perfect. “All of our yesterdays have gone now”, en ook eventjes al onze zorgen.
Mac DeMarco voelde niet als een concert, maar als een mood, een vibe. Geese voelde heel erg als nu, DeMarco als een veilige cocon uit het verleden, een katerige zondag zo ergens midden jaren 2010. Eventjes is er geen wereld buiten deze weide, dit bos, deze zachte wolk van onschuldige indierock. We brulden mee met “Ode To Viceroy”, zongen gelukkige verjaardag voor Steve en klapten mee met Yuki Kikuchi de cameraman, speelkameraadje van Mac. Het was een en al liefde en als we daar de mom jeans met opgetrokken kousen en lage schoenen bij moeten nemen, doen we dat met plezier. Niet iedereen trok die anderhalf uur en soms werd het te veel schmalz voor de internetgeneratie, maar “Another One” blijft niet kapot te krijgen, met of zonder onstabiele handenstand, en ook het nieuwere “Rooster” was wonderschoon met zijn klaterende gitaar. “Freaking Out the Neighborhood” was een bom op de weide, waarna Mac ons voor “Chamber of Reflection” in een warm bad trok. Om vervolgens als afsluiter halfnaakt “Human Nature” van Michael Jackson te coveren – het blijft wel DeMarco. Nooit verwacht dat wij met dat beeld op ons netvlies en dat nummer in ons hoofd de nacht in zouden verdwijnen.



