Vijfenzeventig jaar werd Raymond van het Groenewoud vorig jaar, maar dat viert ie dit jaar. Die Archivaris-tour brengt hem ook naar Dranouter, en dus blikt de oude rocker in zijn Brugse appartement terug op een carrière die enkel als ‘rijkgevuld’ kan benoemd worden. “Ik heb veel aan mijn liedjes, omdat ik dan mijn leven voor me zie passeren.”
enola: Eigenlijk bent u vorig jaar 75 geworden. Waarom heeft u tot dit jaar gewacht om dat te vieren?
Van het Groenewoud: “Ach, die tour staat inderdaad onder de hoofding van mijn 75 jaar. Men houdt van dat soort ronde getallen hé – nu ja, rond is dat niet, maar goed: met een vijf of een nul achteraan mag je wel eens buitenkomen. Zelf doen dat soort mijlpalen me niet veel, maar ik weet dat de commercie daar graag mee werkt, en dan laat ik me dat wel aanleunen. Ik zie geen reden om daarin nog eens dwars te zijn. En uitstel? Met corona was dat ook zo. Toen hebben we de zeventig ook met vertraging moeten vieren. Zoveel flexibiliteit hebben we wel.”
enola: Is het concert op Dranouter een soort culminatie van dat verjaardagsjaar?
Van het Groenewoud: “Niet echt. Ik heb gewoon op een dag vernomen dat we op het festival stonden. Natuurlijk pas ik me aan de omstandigheden aan: is het binnen, buiten, wat voor weer wordt het, en hoe laat spelen we en voor welk publiek? En dan stel ik een setlist op die mijn flexibele muzikanten niet doet verbleken.”
enola: De titel van de tour is Archivaris, naar de gelijknamige compilatie. Blikt u graag terug? Bent u een archivaris van uw eigen verleden?
Van het Groenewoud: “Dat bijbehorend verzamelalbum is er nog op vraag van een oud-platenbaas van Warner gekomen. Hij stelde voor dat ik zelf een compilatie zou samenstellen. Niet op basis van de verkoopscijfers, maar in functie van het hart. Dat heb ik met liefde gedaan. Ik koester die verzameling meer dan losse albums. Het gaf me alle tijd om eens terug te blikken, en de hele loop tot vandaag af te gaan. Zo begon ik mijn eigen losse hoofdstukken te zien, en kon ik nummers kiezen die me het meest na aan het hart liggen, of waarvan ik de opname echt goed vind, of verrassend. Ik had zelfs de tijd om nog een begeleidend boekje te schrijven.”
enola: Wat viel u op toen u zo in uw verleden dook?
Van het Groenewoud: “Wat voor jonge wolven we waren in die eerste fase, natuurlijk. We speelden die nummers alsof we aan de coke zaten. En daarna zie je heel duidelijk hoe de verbreding van ons muzikaal palet begint. En wat me ook opviel, was hoe ik al meteen een talent voor melancholie had, zelfs al wilde ik per se blije nummers maken. Het leven gaf me genoeg tegenslag, zodat ik enige treurigheid toch niet kon tegenhouden. Het gebrek aan belangstelling die eerste jaren zorgde ervoor dat ik in bijvoorbeeld “Gelukkig zijn” mijn hele pijn van het zijn legde. Dat was een hartenkreet. En later werd die melancholie dan weer meer verstild, minder het roepen en doen van dat nummer.”
enola: U begon in volle kleinkunstperiode, al was het meer een reactie tegen dat genre, niet?
Van het Groenewoud: “Ik hou niet van het woord. Het was een afbakening, iets waar Humo mee kon spotten: iets van sandalen en baarden. In elk geval ging het om het luisterlied, maar Johan Verminnens platenbaas, Jean Kluger, suggereerde hem live toch eens iets anders te proberen dan alleen maar met gitaar op het podium te kruipen. Zo nam hij drum, bas en mezelf mee op gitaar en piano; een revolutie in het wereldje van de jarenzeventig-parochiezalen waarin wij meedraaiden. Soms werd er gejammerd dat ze zo de zanger niet konden verstaan. Als bisnummer speelden we in die tijd “Kom van dat dak af”, en dat bevestigde wat ik al van Chuck Berry had geleerd: dat er meer gebeurt als het fysieker wordt. Dan ging het publiek ook staan, en wist ik: dit is wat ik wil doen. Echt een tegenreactie zou ik het dus niet noemen, het was gewoon mijn eigen weg zoeken, een ritme dat ik voor me zag.”
enola: Waarna u de omgekeerde beweging maakte. Eigenlijk bent u met de Minister-optredens van begin jaren negentig de uitvinder van de ondertussen klassieke theatertour, niet?
Van het Groenewoud: “Daar heb ik geen zicht op, want ik weet niet wat anderen doen in de theaters. Maar het klopt dat ik op een bepaald moment doorkreeg dat de energie waarmee ik in jeugdclubs en feesttenten werkte, zijn plek niet vond in een cultureel centrum. Dat ontdekte ik bij occasionele optredens in zulke omstandigheden.”
“Ik ben eind jaren zeventig doorgebroken, na enkele jaren ploeteren, en toen konden we heel veel optreden. Ik verzorgde me echter niet goed genoeg om dat goed te kunnen, en dus heb ik tussen 1981 en 1984 mijn eerste sabbatical genomen. Daarna ben ik herbegonnen op dezelfde leest, in wat ik nu een paar verloren jaren vind. We speelden wel, maar het zat niet goed. Zelfs al had ik met “Liefde voor muziek” een gigantische hit, het ging in mijn oren helemaal de verkeerde kant op. Toen ben ik beginnen na te denken over eerdere ervaringen in culturele centra, en hoe ik dat wél goed kon aanpakken, op een manier die iedereen tevreden zou stellen.”
“Met die eerste schouwburgtour, Minister van ruimtelijke ordening, vond ik een nieuwe manier. Ik leerde dat ik een theaterpubliek niet moest doodslaan met volume en energie, maar dat het tegen dynamiek en een beetje stilte kan. Dat is heel plezant geweest, zelfs al voelde ik bij programmatoren eerst wat argwaan. Mij op hun podium zetten, was in de ogen van mensen die met Kunst met de grote K bezig waren toch iets te populistisch. Toch hebben we het voor elkaar gekregen. Dan was op een bepaalde plek de zaal eerst half gevuld, de volgende keer voor drie kwart, en nog een keer later was het uitverkocht.”
enola: En u ontdekte dat dat de weg vooruit was voor u?
Van het Groenewoud: “Om een echt luisterpubliek te hebben, ja. Buitenoptredens hebben hun charme, maar een festivalpubliek dwingen te luisteren, dat is dictatoriaal. Je leert er wel van om met verschillende situaties om te gaan, en ik vind het heel fijn dat ik ook al die kanten heb kunnen opgaan – met de nodige accidenten onderweg, maar ook daar leer je van.”
enola: Wat was zo’n accident onderweg? De Nederlandse feesttenten ten tijde van “Liefde voor muziek?”
Van het Groenewoud: “Ja. Er bestond in Nederland, vooral in de randsteden en kleine gemeentes, een manier om jezelf op zaterdag ladderzat te zuipen met goedkoop bier tot je niet meer wist hoe je heette en waar je was. Dat is blijkbaar een behoefte die daar leeft, ik vermoed als een reactie op de vele regelgevingen in het land. Dat we door “Liefde voor muziek” daarvoor gevraagd werden, daar had ik geen vat op. Het was met gevaar voor lijf en leden dat we daarheen trokken, want ik heb geen zestien “Liefdes voor muziek”.”
enola: Uw laatste plaat, Egoïst, dateert van 2023. Zijn er al of nog plannen voor een opvolger?
Van het Groenewoud: “Ik heb twee nummers die af zijn, maar voor zover ik de markt nog ken, vind ik het nogal zinloos om heel hard te ijveren voor een nieuw album. Alles is nu streaming. En ja, vinyl komt terug, maar dat is meer voor de elite. Als een soort verzamelobject, inderdaad.”
“En verder? Ik weet niet of ik voor mijn beurt spreek, maar ach, dat kan geen kwaad: we werken aan een dubbelalbum met een liveregistratie uit 2022. Ik heb dat jaar in Paradiso gespeeld, net na de heropening van alles na de pandemie, en ik was nadien volstrekt van mijn à propos. Ik zal nooit vergeten wat daar gebeurd is qua publieksreactie. Het was een magische avond voor mij, en wellicht alle muzikanten. En nu is mijn manager in samenspraak met mijn nieuwe label N.E.W.S. op het illustere idee gekomen om daarvan een dubbel-lp te maken. Ik heb een paar mixen als probeersel binnengekregen, en ben ervan geschrokken hoe goed ze klonken. Zo wist ik dat het niet alleen de magie van toen was, maar dat het ook goed was.”
“Nu, om de herinnering aan die avond te bewaren, heb ik – voor men me begon te bestoken met de integrale opname – gevraagd dat niet te doen. Ik laat het mixen over aan mijn bloedbroeder en drummer Cesar Janssens, en mijn vaste geluidsman. Ze zullen er lang zoet mee zijn, maar de sterren staan gunstig. Ik weet niet of ik die plaat ooit zal beluisteren, maar er is met liefde aan gewerkt. Ik heb Cesar nog gevraagd om het alsjeblief te beperken tot één plaat als er niet genoeg goed materiaal is, maar hij heeft me verzekerd dat het zal lukken. En hij is nochtans moeilijk.”
“Ik denk dat ik die opnames binnen tien jaar eens zal opleggen, om dan vast te stellen: het was inderdaad goed. Want wat ik zo mooi vind aan optreden is dat je er van alles bij kunt voelen, maar dat het ook verdwijnt. Je houdt niet meer over dan een goede of minder goede herinnering. Een album opnemen voelt meer als moeten-moeten-moeten. Ik neem graag een nummer op, maar na twee keer moet het er wel opstaan. Perfectionisme? Daar heb ik geen last van, want om te beginnen bestaat de perfectie niet. Een beluistering op maandagavond is niet hetzelfde als een draaibeurt op woensdagochtend. En dan voelt het vaak als in een spiegel kijken. De ene keer valt het mee, de andere keer wat minder. Er is niet iets als een definitief spiegelbeeld.”
enola: Op Egoïst bespeelde u nog eens de hele breedte van uw muzikale spectrum. Was dat belangrijk?
Van het Groenewoud: “Ik heb daar niet over nagedacht, maar het klopt wel. Een van mijn superfans heeft zich ermee beziggehouden al mijn nummers via artificiële intelligentie per genre te classificeren. Ik heb niet de hele lijst uitgelezen, maar ik had het snel begrepen: het is er meer dan één. Zoals ik al in “Chachacha” zong, amuseer ik me met het spelen van muziekjes. Al denk ik wel dat we in het ene genre als muzikant al meer diepte bereiken dan in het andere, maar dat vind ik bij nadere beschouwing vooral zelf. Ik denk dat dat voor het publiek anders werkt, want die hebben dan weer de teksten om zich op te richten.”
“Daarom werd het ook nooit een pastiche. Ik heb veel aan mijn platen, of beter, aan mijn liedjes, omdat ik dan mijn leven voor me zie passeren. Eigenlijk waren die teksten een soort van dagboeknotities, en die zijn voor heel wat mensen herkenbaar gebleven. Mijn songs geven mijn zielenleven weer, gemengd met liefdevol gespeelde muziek.”
enola: Heeft u het gevoel dat uw teksten een aspect van u zijn dat soms te weinig aandacht heeft gekregen?
Van het Groenewoud: “Neen hoor. Het evolueert ook. Tegenwoordig komen steeds meer mensen me zeggen hoe veel ze hebben aan mijn teksten. Niet dat ik dat nodig heb, want ik denk dat men zich vaak niet bewust is van wat hen precies raakt. Dat heb ik overigens zelf ook. Dan blijf ik haken aan het stemgeluid van een zanger, maar is het pas vele draaibeurten later dat ik energie steek in wat hij eigenlijk zingt. Eerst wordt mijn aandacht getrokken door iets als een arrangement, de productie, een heel eigen manier van doen … En ik denk dat het ook voor mijn muziek zo is, dat als mensen het graag horen, het aan van alles kan liggen.”
“Wat ik wel heb geërfd van de zwarte Amerikanen die mijn grote voorbeelden zijn, is de drang om er ook iets fysieks in te steken. Voor mij wordt dat altijd gesymboliseerd door een drumstel en een bas. Dat is meestal het minste om een nummer op te bouwen. Wie er daarnaast nog bij komt spelen, zal zijn plan dan wel trekken. Voor mij is dat romantiek: in een repetitiecafé een drumstel zien staan en een bas op zijn houder, en weten dat dat mijn huis is.”
enola: Wat me ook opviel bij het doorlopen van uw oeuvre is dat u nooit gewoon zanger was. U bent een vertolker in de klassieke zin van het woord; het nummer moet ook wat tot leven komen.
Van het Groenewoud: “Dat vind ik wel, ja. En daarbij moet ’theatraal’ niet verward worden met ‘exuberant’. Introvert kan ook theater zijn. Brel? Een beetje, maar bij hem was het zo levend dat de darmen uit zijn keel kwamen. Maar je hebt gelijk, “Je veux de l’amour” had dat ook wel een beetje. Er zijn uitzonderingen, maar dat zijn dan ook vertaalde nummers. Dat soort theater zit wel in mij om het uit te voeren, maar niet om het te creëren. Zo doe ik ook vaak “Comme d’habitude” van Claude François. Het origineel is al minstens honderd keer bewerkt, en ik blijf dicht bij die oorspronkelijke versie op een manier waarop ik ambachtelijk trots ben. Ik was immers kapot van het scenario dat hij daar bezingt, en ik vind het heerlijk om dat nu zelf te zingen in een taal die verstaanbaar is voor het publiek.”
enola: Men associeert u altijd met “Meisjes” en “Je veux de l’amour”, maar ondertussen is “Twee meisjes” al even uw grootste hit. Heeft u dat verrast?
Van het Groenewoud: “Ik had in elk geval een groot geloof in die muzikale suite. In mijn dagdromen zag ik die in mysterieuze sferen in een lus de nacht door gespeeld voor mensen die bedwelmd zijn door iets. Zover is het niet gekomen, maar het duurt toch wat langer dan het gemiddelde popnummer.”
“Ik was destijds behoorlijk tevreden van de opname, de sfeer en de melodie, maar ik had geen idee waarover het moest gaan. Uit armoede ben ik dan maar beginnen beschrijven wat er te zien was op de plek waar ik die zanglijn in mijn hoofd kreeg. Dat was dus op een strandje. En het gekke is natuurlijk dat er aanvankelijk klachten waren toen we het als single wilden uitbrengen omdat het te lang was. Ik ben dan zo stom geweest meegaand te zijn en te knippen, maar ik hoorde direct: de magie is weg.”
“Het was pas later, toen twee vrouwen “Expeditie Robinson” wonnen en het nummer als verzoeknummer hadden, dat het verder begon te leven. VTM biepte ons op of we het als verrassing voor hen wilden komen spelen in de studio, en zo kreeg het een nieuwe populariteit. Het is gek hoe een bal kan rollen.”
Raymond van het Groenewoud speelt op zondag 9 augustus op Dranouter.



