“Ik vertegenwoordig alles wat de Amerikanen haten. Ik ben zwak, maar ik hou stand.” Deze ‘cri de coeur’ van Charles de Gaulle in de trailer van La Bataille de Gaulle : J’écris ton Nom is de perfecte samenvatting van de politieke en mentale toestand van de beroemdste Fransman van de twintigste eeuw aan het begin van het tweede luik over diens leven en werk tijdens de Tweede Wereldoorlog (vorige maand verscheen al La Bataille de Gaulle : L’Âge de Fer).
We schrijven januari 1943. Ondanks de inname van de steden Sebha en Mizdah door trouwe bondgenoot Leclerc wordt de Gaulle zelf door de geallieerden nog altijd met een scheef oog bekeken. Het gebrek aan een officieel politiek mandaat en de vrij beperkte troepensterkte van de ‘Vrije Fransen’ doen hem nog steeds de das om. Als er op de Conferentie van Casablanca in diezelfde maand wordt beslist dat niet hij, maar Henri Giraud de militaire leiding van de Franse troepen krijgt, moet de Gaulle de nodige politieke sluwheid aan de dag leggen om niet volledig gepasseerd te worden. Ondertussen zet Jean Moulin, een andere aanhanger van de Gaulle, alles op alles om zowel de linker- als de rechterzijde van het verzet te verenigen tot een eenheidsfront.
Wie het angstzweet uitbreekt bij deze overdosis aan geschiedenis kunnen we enigszins geruststellen. Regisseur Antonin Baudry slaagt er met verve in om deze intrigerende, maar complexe materie te overschouwen en bevattelijk voor te stellen voor een breed publiek. Hij doet dit enerzijds door de film te verpakken als een bombastisch, episch spektakel dat we doorgaans eerder aantreffen in de Amerikaanse cinema. Gezwollen dialogen doordrongen van het nodige patriottisme moeten de kijker overtuigen van het belang van wat we te zien krijgen. Anderzijds houdt Baudry wel degelijk rekening met moderne gevoeligheden wat representatie betreft. Zo is L-force – de Franse brigade van generaal Leclerc die zich in de hete woestijn van Tunesië staande houdt tegenover de Duitse bezetter – geen wit monolithisch blok, maar een lappendeken van etniciteiten. Ook wat het verzet in Frankrijk betreft, is er een sterke nadruk op het vrouwelijke perspectief in de vorm van het personage Livia.
Acteur Simon Abkarian portretteert Charles de Gaulle ten voeten uit. Hierbij valt op dat er geen enkele moeite wordt gedaan om de topman van de ‘Vrije Fransen’ enigszins sympathiek voor te stellen. Van enige mythologisering is geen sprake. De generaal is hooghartig, ijdel, arrogant en deinst er niet voor terug om iedereen, van bediende tot de president van de Verenigde Staten, op een schoolmeesterachtige wijze de les te lezen. Nochtans is hij in werkelijkheid een generaal zonder echt leger en een politicus zonder echte macht. De typische maniërismen van de Gaulle, die Abkarian met griezelige perfectie capteert, zorgen er echter voor dat hij snel uitgroeit tot een charismatisch figuur wiens onbuigzaamheid eerder als een troef dan als een nadeel wordt beschouwd door zijn medestanders. De Gaulle had lange tijd weinig invloed op het politieke toneel, maar door zijn uitzonderlijke inzicht in de machinaties van de macht katapulteert hij zichzelf op de voorgrond en boekt hij overwinningen die groter zijn dan de veel concretere terreinwinst van Leclerc en Moulin.
La Bataille de Gaulle : J’écris ton Nom is een onderhoudende biopic die het beste van twee ogenschijnlijk tegengestelde werelden in zich verenigt: de bombastiek van eerdere historische spektakelfilms met moderne gevoeligheden qua representatie en etniciteit. In een land dat opnieuw aansluiting zoekt bij de internationale politieke spelers is het schaamteloos terugblikken naar de heroïek van de Tweede Wereldoorlog een absolute must. Een ‘spillover’ in de filmkritiek kon dan ook niet lang uitblijven. Recensent Etienne Sorin van Le Figaro kon zijn eigen chauvinistische gevoelens amper verbergen toen hij opmerkte dat “De Gaulle een superproductie is zoals de Amerikanen ze niet meer maken”. Een betere reclame dan dat kan de film zich niet wensen.



